Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den van den wijsgeer Descartes (Cartesius): „Ik denk, daarom ben ik." Het „ik" komt op den voorgrond. Er klinken geluiden van het ongescheiden zijn van mensch en God. Het schepsel is verbonden met den Schepper. Er is geen kloof. God en mensch zijn deelen van éénzelfde geheel. Spinoza vindt met deze gedachten gretig aanhangers. In de Kerk vindt dit alles zijn terugslag. Zooals de denkende mensch acht met zijn meeningen tot de zekerheden, tot de gebinten van het bestaan, te kunnen doordringen, zóó wordt ook naar de vastheid der zaligheid gepeild. Men wil weten! Of ook: er is een zich laten wiegen op de gedachten van verwantschap met God door de onbegrensdheid van den levensdroom, door de vaagheid van het geluksgevoel. Menschelijke, hoogmoedige vroomheid in breed uitmeten van persoonlijke ervaringen, oogenschijnlijk slechts een kloof vormend met eigendunkelijke deugd en braafheid, geven den toon aan in de Kerk. De mensch, het ik, gaat wassen en Christus minder worden.

De felheid van de botsing tusschen de twee werelden: God en mensch, hemel en aarde, verliest haar scherpte. De grenzen vervlakken. Goedmoedige burgerlijkheid verdrijft het stoutmoedige durven van den geus.

De mensch met zijn hoedanigheden voorwerp van onderzoek. Dat is de vloek voor de Kerk. De droom van de beteekenis van het mensch-zijn: „o, sterveling gevoel uw waarde" (Gez. 31), besmet ook de nachtgezichten der kerkelijke profeten. En zij droomen hardop.

De Kerk en de jongeren. — Wat heeft dit alles daarmee te maken? Dit: de moederlijke verzorging der Kerk komt in gevaar. Van twee kanten komt de aanval. De Kerk zelf gaat aarzelen betreffende haar beteekenis. Haar zelfstandigheid raakt in het gedrang. Er komen andere voedsters der jeugd. Dat aarzelen der Kerk, de invloed van dien droom omtrent de

Sluiten