Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeer geachte Dominee.

Toen ik het laatste kerkblad in volgorde las, kwam nüj éérst het stukje van Ds. Coolsma onder oogen, waarin hij opwekte om den zangavond in de A-Kerk bij te wonen.

Mijn eerste reactie was: prachtig; dien kant moeten we uit; wat is het heerlijk, ais menschen uit verschillende kerken — maar die per saldo kinderen zijn van één Vader — zoo naar elkaar toegroeien, dat ze tenminste samen willen zingen. Ik dacht zoo, dat vleesch en bloed hun dat met geopenbaard kan hebben.

Maar ik las verder in het Kerkblad. En kwam toen tot Uw stukje. En dacht: ja, zóó kun je de zaak ook bekijken, 'k Heb me toen afgevraagd: Wie heeft er nu gelijk? Zoo eerlijk mogelijk heb ik toen Uw reactie en de mijne tegen elkaar afgewogen. De conclusie is, dat Uw bezorgdheid — zooals die uit Uw stukje bleek — overbodig en mijn blijdschap gemotiveerd is.

Er waren enkele gedachten, die tot deze conclusie leidden, en ongetwijfeld zult U mij toestaan, die gedachten — welke ik natuurlijk in alle vriendschap doorgeef — even te noemen.

L Als menschen — ongeacht hun grootste verschillen — samen zingen, geestelijke liederen zingen, en dat vrijwillig doen, dan kan daaruit nóóit iets nadeeligs voortvloeien.

2. u zoudt er niets op tegen hebben, vermoed ik, dat wij naast en met diezelfde Roomschen b.v. in de loopgraven zouden staan. Waarom zouden wij ons met bezorgd maken met hen te vechten en wél om met hen te zingen?

3. U bracht in herinnering de vervolging, die hun vaderen pleegden tegenover onze vaderen. Maar dan geeft een samenkomst als die van Donderdag a.s. te meer reden tot verheugenis. Want U zult willen toegeven, dat die zingende, met „ons" zingende Roomschen,

Sluiten