Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van zonde-vergeving door de biecht wist Augustinus echter niets.

Dit feit is zoo vaststaand dat Dr. Gerhard Rauschen, Roomsen-Katholiek professor fn de Godgeleerdheid aan de universiteit te Bonn schrijft in zijn werk: „Eucharistie und Buszsacrament" (Freiburg 1910): Het lijdt geen twijfel. Augustinus noemt alle zonden, voor dewelke geen openbare boete wordt opgelegd lichte zonden, zonden van iederen dag; en het is zeker (de lezer vergete niet, dat hier een RoomschKatholiek aan het woord is) dat zij door goede werken, bijzonderlijk door het vijfde gebed van het Onze Vader vergeven worden. Een biechtplicht voor deze zonden kent hij niet. Hij veronderstelt niet eens de mogelijkheid ze door de biecht te doen vergeven (bl. 226).

De benidictijner Pater Odilo Rottmanner, dien professor Rauschen verklaart de beste Augustinus-kenner te zijn, schreef fn het „Historisches Jahrbuch" van 1898 (bl. 895): hoe ongelooflijk het ook schijne, zelfs Augustinus heeft nooit zijne biecht gesproken vanaf zijn doop tot aan zijnen dood."

Augustinus beleed zijn zonden aan God, biddende het gebed^ dat de Heere Jezus geleerd had: vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.

Dat de priester, gelijk de Roomsche Kerkleer beweert, uit kracht van Jezus' woorden: zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven de macht zou ontvangen hebben om in Gods Naam iemand van zijne zonden te ontslaan, daarvan wist de Kerkvader Augustinus niets.

Hoe interessant deze verklaring ook zij, wij keeren terug tot de leer der Schrift die voor ons de eenig bindende is.

Een vraag en een antwoord.

Terecht vraagt ons wellicht de Roomsche geloovige, indien gij dan het bestaansrecht der biecht in Jezus' woorden niet erkent, hoe verklaart gij dan Jezus' uitspraak.

Hieraan voldoen wij gaarne.

Johannes' verhaal luidt als volgt:

Sluiten