Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ziedaar een klacht, die voor drie honderd jaren door duizenden van onze voorouders werd verstaan in al haar treurigheid! Niet gemakkelijk zou het zijn, met eenige juistheid het aantal op te geven dergenen, die liever het vaderland verlieten, dan dat zij afweken van het geloof, dat hun meer waard was geworden dan al de schatten der aarde. Toen de Spaansche tyrannie het hun niet meer vergunde God te dienen «naar synen woorde," hadden zij besloten uit te wijken en elders te zoeken, wat de eigen erve in dien tijd hun niet verstrekken kon. Het behoeft geen betoog, dat men wel tot het uiterste moest gebracht zijn voordat men besloot tot het heengaan in ballingschap. Elk volk, dat tot eenigen trap van beschaving is gekomen, heeft zijn vaderland lief. De liefde tot zijn land is ieder aangeboren, zegt de dichter. En het is zoo. Het is iéts natuurlijks in ons, dat wij ons ten nauwste verbonden gevoelen aan het plekje, waar wij het levenslicht aanschouwden en waar reeds onze oudtrs en voorouders leden en streden, juichten en baden.

Wg, Nederlanders, vooral zijn bijzonder gehecht aan onzen geboortegrond. Het zoogenaamde kospomolietisehe karakter, het gevoel van overal thuis te zijn, is ons nog niet eigen geworden. Het wemelt op onzen bodem van vreemdelingen, maar veel kleiner is, naar evenredigheid, het aantal Nederlanders, dat omzwerft in den vreemde.

Voor die gehechtheid bestaat alle reden. Daar is waarschijnlijk geen land in Europa, dat met grootere inspanning, met taaier geduld door zjjn inwoners is beschermd tegen de vijandige elementen der natuur, dan ons vaderland. Een gedicht zegt, dat God ieder volk zijn land gegeven heeft, maar dat de Nederlanders er zelve een moesten scheppen.

Welnu, scheppen is wel wat bout gesproken, maar waar is het dat onze nederlandschebodem, met zijn lage ligging, zijn hooge dijken, zijn trage rivieren, zijn op menige plaats drassige onderste lagen een wonder heeten mag, een toonbeeld van wat de mensch vermag, die moed heeft en geduld, en door God gezegend wordt. En zouden wij dan dien met zooveel moeite veroverden bodem niet liefhebben? Niet verbonden ons gevoelen aan de vruchten van zooveel arbeids en opoffering? Doch daar komen andere oorzaken b«. Nederland is van oudsher een goed land geweest. Wij mogen dat zeggen zonder ijdelen trots. Niemand herhale hier glimlachend het spreekwoord: ieder meent zijn uil een valk te zijn. Wü kunnen geopende oogen hebben voor de eigenaardige ongemakken, die onze zelden - heldere dampkring, onze al te vochtige bodem, onze door berg noch heuvel beschutte vlakten opleveren: wij kunnen zelve opmerken dat meer dan ééne schoonheid aan onze landschappen is ontzegd; wij 'kunnen zelfs toestemmend knikken als de vreemde ons vraagt, of wn wel niet wat al te vasthoudend zijn aan oude gebruiken, en of een zekere stijfheid in onze bewegingen, in onze steden, in onze buitenplaatsen niet dikwerf de bevalligheid doet schade lijden; wij kunnen dat aUes

Sluiten