Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Karei V aanstonds na den rijksdag van Worms in ons land een bloedplakkaat deed afkondigen, waarin Luther werd voorgesteld »als een duivel onder gedaante van een mensche, bedekt met den habijte van eenen religieus, om zoveel te beter ende te lichtelijker ter eeuwigen doodt ende verdoemenisse te brengen 't menschelijke geslacht." Reeds toen werd gelast, om tegen Luther's «medeplegers, aanhangers en begunstigers en al heure goederen, have en erven te procedeeren." Allen, die eenige goedwilligheid zelfs betoonden tegen de meeningen van Luther werden met de zwaarste straffen bedreigd — en 't is bij dreigen niet gebleven. De edikten werden telkens zwaarder en scherper. De keizer, die in allerlei bochten zich wringen kon, die deftig kon zijn als een Spanjaard en hupsch als een zuid-nederlander, hij kwam niet in deze gewesten, of hij liet nieuwe en scherpere plakkaten tegen de ketters achter.

Bijzonder hard'was het plakkaat van 1550. Het spon om alle ketters een net met zulke fijne mazen, dat ontkomen haast niet mogelijk was. En afschuwelijk meer dan wij zeggen kunnen, was de bepaling, dat zij, die een verboden vergadering hadden bijgewoond, als zij haar verrieden, voor de eerste maal vrijstelling van straf verwierven. Het doel heiligde immers de middelen!

Onze landgenoot paus Adriaan VI zorgde bij een bul voor de aanstelling van een groot-inkwieziteur, die zoo weinig «misericordie" gebruikte, dat de landvoogdes, Karel's zuster, hem zijn ontslag gaf. Rome zorgde voor waardige opvolgers en vestigde haar keus o. a. op Ruard Tapper. De geestelijken werden aangespoord nauwkeurig toe te zien, wie de mis verzuimde enz. en zij verrichtten dien speurhonden-dienst met de scherpheid van organen welke hun eigen is. Hoe vele offers vielen, is moeielijk met eenigen kans op nauwkeurigheid te berekenen. Het laagst opgegeven cijfer is vijftigduizend. «Amsterdam, zoover men kan nagaan, leverde in 1535 minstins veertig, Leijden mintens twintig, 's Hage in 1534 en 1535 minstens zestig personen op, allen door beulskoorden geregt." Bovendien zij het «tot schande der regtspleging in die dagen gezegd, dat geheime teregtstellingen niet zeldzaam, ja in het stelsel der regering opgenomen waren, en menige rivier des nachts in hare golven het ligchaam voortstuwde eens ongelukkigen van wien misschien onverhoord, althans niet van misdaad overtuigd, de laatste wraakkreten in den eng toegebonden zak waren versmoord." Ofschoon in de plakkaten het vluchten verboden was, zoo heeft de regeering toch niet kunnen verhinderen, dat eene zeer groote menigte is uitgeweken, het vonnis der verbanning dragende of wachtende, of in groote stilte aan de oogen der inkwiezitie ontslopen.

Men vluchtte echter nooit in zoo grooten getale als omstreeks den tijd van Alva's komst in deze landen. Men spreekt van duizende aan-

Sluiten