Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tende Nederlanders ook daarom liefst gingen naar Wezel. Reeds in 1556 kwamen er uit Londen aan. Het gaf wel moeielijkheden, eerst tusschen de lutherschen en de gereformeerden; daarna tusschen den Raad der stad en den Hertog, die telkens op last van den duitschen keizer, er op aandrong, dat men de vreemdelingen zou bevelen de stad te verlaten, maar bewonderenswaardig is de trouw en de moed, waarmeê de Raad telkens die bevelen wist te ontwijken totdat mj eindelijk ook den Hertog een meer besliste houding zag aannemen. In 1566 trof Willem van Kleef eene beroerte, en 't is waarschijnlijk onder den indruk geweest van deze herinnering aan zijn sterfelijkheid, dat hg met meer beslistheid dan vroeger de toepassing voorstond van de beginselen der Reformatie. Hij liet depriesters, die de mis nog lazen, van zijn hof vertrekken, en een concept vervaardigen van een kerkorde, die veel meer dan de vroegere in overeenstemming was met het evangelie. Maar in elk geval: te Wezel heerschte een zeldzaam aangetroffene vrijheid. Allerlei richtingen en schakeeringen va» nemingen waren er vertegenwoordigd, en hadden er eene kostelijke gelegenheid, om door onderlinge wrijving en broederlijke gedachten-wisseling van haar scherpe kanten te worden ontdaan, en er zoo wel den vrede als de waarheid te leeren beminnen.

Geen wonder dus, dat vele Nederlanders tot Wezel zich aangetrokken gevoelden, ieder vond er van zijn geestverwanten; vond er vrijheid; vond er een hartelijke ontvangst. En tot hun eer mogen wij verklaren, dat zij de gastvrijheid, welke hun bewezen werd, zich niet onwaardig hebben betoond, maar matig, rechtvaardig en godzalig hebben gewandeld in het land hunner vreemdelingschap.

Wö mogen, al is het drie honderd jaar geleden, niet vergeten wat de toenmalige magistraat en inwoners van Wezel aan onze vooronders hebben gedaan. Zoo kwam er in April van 't jaar 1567 een brief van den Hertog, waarin bovolen werd zekeren Anton van Bombeigen, die uit de Spaansche Nederlanden naar Wezel gevlucht was, geen oponthoud in de stad te verschaffen; en de vermaning werd er aan toegevoegd, »om in het vervolg geen dergelijke aankomelingen meer op te nemen." De Hertog vreesde voor den toorn van Spanje, want de regentes had hem geschreven, dat hij dezen Bombergen, »als eenen schadelijken mensch, een kapitein der oproerlingen, die veel sekterijen tegen zijne majesteit had verwekt, niet alleen niet in zijn land behouden , maar zelfs gevangen nemen zou." Deze en dergelijke bevelen van den Hertog wist de Raad der stad altijd te beantwoorden met zoo veel wijsheid en kalmte, dat de Hertog zich eindelijk tevreden liet stellen met deze door de vluchtelingen afgelegde verklaring:

1°. Dat zij zich tevreden hielden met zulke predikatie en eeredienst als er te Wezel gebruikelijk was, en dat zij betuigden geene nieuwigheden in zaken des geloofs te beoogen.

Sluiten