Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En heeft een moet genomen. God onzen Heere WijCkt nimmer 't sijnder eere, ■Vaagde vroomen!

Zeker is aan de meesten onzer Lezers de schoone rede onbekend, waarmeê een kommissie uit de voormalige uitgewekenen1 te Wezel, aan den Raad dier stad twee zilveren bekérs hééft overhandigd. Laat mij uit flto^lPéde het een en ander mededeelen. In den aanhef wordt Wezel vergeleken met Ninivé, met Babyion, mei Tirus en Sidon, met Capernaum, dat tot den hemel was verhoogd, met Rome, dat den geheelen aardbodem door zijn geweld had doen beven, — en ziet de heerlijkheid van al die steden is als een damp verdwenen, door de hand Van God, die alle vestingen hoe heerlijk, als Hij ze niet heeft gebouwd, en als ze niet in godzaligheid en gerechtigheid gegrond zijn , doet ter aarde storten, terwijl Hij integendeel beschut en beschermt alle steden, daar zijn heilige naam wordt aangeroepen, en gerechtigheid gehandhaafd. Dat zag men van Wezel'; godzaligheid en gerechtigheid bevrijdden en bewaarden haar. En hieraan was Gods genade bovenal kennelijk, dat Hij daar zijn''heiligen dienst had opgericht, de kennis van 't Heilige Evangelium had verspreid en hen geleid had zekerlijk onder den staf van den Aartsherder Jezus Christus, hen had gespijsd''en gedrenkt met de schoone groene weiden en de heldere fonteinen Van zijn woord tot de hope des eeuwigen levens. Zij hadden bewezen, dat hun godzaligheid zich uitstrekte tot zaken verre boven alle heerlijkheid van de koningen dezer wereld, toen zij besloten hadden, dezen armen Jezus Christus er in hun midden te ontvangen, die door de wereld zoo gehaat is; en toen zij'dén waren godsdienst voor het eerste, en gerechtigheid voor het tweede bolwerk hadden gesteld van hunne vesting. Hun hartelijke liefde voor en een proeve van hun waar geloof hadden zij getoond, door zoo vele jaren gastvrijheid te bewijzen aan den ellendigen en vervolgden Jezus Christus en zijne leden. Wien toch was het onbekend met hoeveel goedwilligheid de vreemdelingen door hen waren opgenomen, toen strenge plakkaten en tyranniéke vervolging hen niet langer duldden in hun vaderland? Met al hunne nakomelingen zouden de voormalige vluchtelingeh getuigen': blijven van de goedheid en groote vriendelijkheid, waarmeê zij te Wezel ontvangen, en van de blijmoedigheid en gestadigheid waarmeê zij behandeld waren te Wezel. »Wat hebt gij niet gedaan, om ons te helpen ? Uwe eigene huizen hebt gij ons geopend, en zonder eenige afgunst vrijheid verleend om hier te mogen handel drijven en ons brood te winnen, niet minder of meerder dan uwe eigene burgers. Hoeveel ongenade van hooge en nederige personen hebt gij op u geladen omdat gij ons in uwe stad hebt ontvangen!" »Met hoeveel zachtmoedigheid en geduld hebt gij ons gedragen ja

Sluiten