Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe vaderlijk hebt gij onze feilen bedekt en verzwegen, en als er eenig ongemak is ontstaan, hoeveel moeite en arbeid hebt gij u getroost om ons daaruit te redden!" »Uwe stad is ons een waar vaderland geweest, dewijl wij daar hebben mogen vredelijk, leven en sterven en met u onzen God dienen in geest en waarheid."

En gelijk Loth en Abraham, de weduwe van Sarepta, het «vroucken" van Suna, de eere hadden van engelen en profeeten te herbergen, gelijk Martha en Zaccheus den Zone Gods hebben ontvangen en daardoor met tijdelijke en eeuwige zegeningen zijn beloond geworden, zoo zouden ook de inwoners en magistraat van Wezel hun loon niet ontgaan bij den Heer, daar zij ook engelen en profeeten jaden Heer Jezus Christus zeiven hadden geherbergd; — maar zij, de vluchtelingen hadden het toch geacht van hun plicht te zijn voor de bewezen weldaden erkentelijkheid te bewijzen; »want indien de aarde hare vrucht, en de wijnstok zijn wijn voortbrengt tot belooning en verkwikking van hem, die ze bebouwt en plant; en gelijk de ooievaar geen afscheid neemt noch verreist van zijn woning, zonder zijn gastheer een teeken van dankbaarheid te bewijzen of na te laten — voorwaar, zoo zou het een groote schande voor ons wezen, die niet alleen menschen zijn, maar bewijzen willen, dat wij beter dan anderen in de school van Jezus Christus hebben geleerd, als wij aan ondankbaarheid werden schuldig bevonden." Zij meenden echter niet een genoegzame vergelding te kunnen aanbieden voor de ontvangen onuitsprekelijke weldaden, doch zij stelden zich alleen voor een kleine gedachtenis na te laten, die den nakomelingen strekken kon tot een eeuwige herinnering »van alle aan ons bewezen weldaden, en tot een getuige, dat wij ons en ons geweten alzoo tegen u verplicht rekenen, dat in geval de Heer te eeniger tijd een middel geeft om u eenige dienst of vriend-, schap te bewijzen, wij ons ten allen tijde daartoe gewillig en bereid zullen bevonden worden." En daarom bidden zij dan ook, dat hun kleine gave zoo wel uit naam van de Nederduitsche als van de Walsche gemeente, die ze hadden geherbergd, in dank mocht worden aangenomen; niet als een voldoening van genoten weldaden, maar alleen als een onderpand van hunne verplichting aan den magistraat van Wezel. Verder bidden zij, dat het hun vergeven moge worden, dat zij zich niet altijd in alles naar behooren hebben gedragen, en dat in aanmerking zal worden genomen »hoe onder zoo een,groote menigte des volks niet allen door een gelijken geest der godzaligheid en dankbaarheid gedreven worden". Zij hopen, dat de mannen van Wezel van het oefenen van barmhartigheid en gastvrijheid d00r de Nederduitsche christenen niet zullen afgeschrikt zijn, maar dat zij er meê zullen voortgaan.

Eindelijk bidden zij, dat God hen allen te zamen met zijn Heiligen Geest wil regeeren en bewaren, in de gekende en bekende waarheid versterken en bevestigen, tegen aller vijanden raad en geweld beschutten en

Sluiten