Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Teneinde het bezwaar te ontgaan, hierin gelegen, dat wij als christelijk=historischen hierover sprekende wellicht nu eenmaal niet diep genoeg graven, moge aan de hand van een staatsstuk, door niemand minder dan door Dr. A. Kuyper zelf onderteekend, worden duidelijk gemaakt, waarom het bij deze dingen gaat. Wij bedoelen de Memorie van Antwoord op Hoofdstuk I der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1902, waaraan wij het volgende ontleenen:

„Denkt men bij de uitdrukking: Christelijke beginselen, in hoofdzaak aan de soteriologische beginselen der Christe» lijke religie d.w.z. aan die beginselen, die betrekking hebben op verzoening, verlossing en eeuwig leven, dan is het volkomen juist dat er onder alle politieke richtingen per* sonen gevonden worden, die den Christus als hun Heiland belijden. Doch zóó kan de uitdrukking Christelijke beginse; len bij de stembus niet bedoeld zijn. Het terrein der staat» kunde behoort tot het natuurlijke: leven, en bij alle volken, Christelijk of niet «Christelijk, vertoont het volksleven een eigenaardig karakter, dat bepaald wordt door hun onder* scheiden opvatting van de natuurlijke levensverhoudingen, d.w.z. van de verhouding tusschen man en vrouw, tusschen ouders en kinderen, tusschen patroons en werklieden, tus* schen overheid en onderdanen, tusschen de overheid en God, en zulks in verband met de uit deze verhoudingen voort* komende instellingen van het huwelijk, het huisgezin, de school, de maatschappij, den staat en den eeredienst.

„Toont nu de historie dat deze verhoudingen, onder veler* lei schakeering, toch een zeer wel herkenbaar en duidelijk onderscheiden specifiek type vertoonen bij heidensche, bij islamitische en bij Christelijke natiën, dan is men ten volle gerechtigd, ook buiten het soteriologische vraagstuk om, van Christelijke beginselen te spreken ter aanduiding van die Christelijke begrippen en invloeden, die bij de gedoopte vol*

Sluiten