Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitspraken. Barth vindt het nu noodig om deze Oud*Testa* mentische fundeering van staat en staatsvorm van Calvijn Nieuwtestamentisch te bekrachtigen in zijn hardheid. In plaats dus na te gaan, wat in het Nieuwe Testament tegen* strijdig is met de Oudtestamentische hardheid, buigt hij het Nieuwe Testament in de richting van het Oude. Deze heele poging om zich te vermannen en Evangelische gron* den te zoeken, is kenmerkend voor den Christen van dezen tijd. Maar al is zij kenmerkend, zij heeft ook haar zeer bedenkelijke en onevangelische zijde. Van den Christen wor* den nu eenmaal twee dingen verlangd. Ten eerste leven uit genade en vergeving, ten tweede medewerken aan en in staatsorde en volksgemeenschap. Bij alle hardheid, die in dezen tijd voor de vorming van de werkelijke materieele democratie ook door den Christen moet worden opgebracht en aanvaard, blijft het woord van den deemoed, het vergeven, het onrecht verdragen eveneens van kracht. Nog scherper gezegd in heel den strijd om een rechtvaardiger staatsorde en volksgemeenschap staat de Christen als een, die weet van vergeving en daarom heeft te vergeven. Een Christen hinkt in deze wereld op twee bevelen, het bevel van de eerbiediging en medewerking aan de staatsorde, en het be* vel zeventig maal zeven maal te vergeven en liever onrecht te lijden dan onrecht te doen.

Geen theoloog ter wereld, ook Karl Barth niet, heeft het recht om de volstrekte onvereenigbaarheid van deze twee geboden te ontkennen. Calvijn behoort niet alleen gecor* rigeerd te worden in zijn staatsabsolutisme (zooals de Ge* reformeerde kerken hebben gedaan in hun wijziging van artikel 36 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis), maar hij behoort ook gecorrigeerd te worden naar de zijde van de liefde en de vergeving. De kerk heeft daarom deze twee zijden van het Goddelijke gebod in al hun on* vereenigbaarheid krachtig en duidelijk te prediken en te eischen. Inderdaad, wij Christenen behooren in dezen

Sluiten