Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar niel algemeen noemen en zij gaal hoofdzakelijk uil naar een schijndoode, de wel van 1 Maart 1815. De verklaring van deze geluwde belangstelling ligl voor de hand. Men kan de Zondagsrust beschouwen als een godsdienstig, maar ook als een sociaal vraagstuk. En de belangstelling in de tweede helft van de vorige eeuw ging wel hoofdzakelijk uit naar de sociale zijde van het vraagstuk, de „Arbeiierschutz", zooals de agenda van het Züricher congres aangaf. „Hier wil", zoo lezen wij nog in de boven aangehaalde Inleiding, „de wetgever een rustdag verzekeren aan hem, die 6 dagen gearbeid heeft. Vóór alles een rustdag,- kan deze op een Zondag vallen, des te beter: godsdienst, zede en gewoonte pleiten hiervoor. Men wil denzelfden rustdag voor allen en dan is de Zondag de aangewezen dag. Maar hei punt van uitgang is: te beletten dat jaar in jaar uil, zonder periodieke rusttijden, gewerkt wordt door de klassen die de zelfstandigheid missen om rust ie nemen wanneer zij dit verlangen."

Welnu, aan dit verlangen is sedert hier en elders grooiendeels voldaan, de „verzadigden" rusten op hun lauweren en steken den degen in de schede. Maar zij, die het accent leggen op de godsdienstige zijde van het vraagstuk, zijn dankbaar maar niet voldaan, en de stemmen die verwijzen naar de dood verklaarde wet van 1815 worden talrijker en luider.

Om die wet in hei juiste licht ie plaatsen moge een zeer kort historisch overzicht voorafgaan.

Slaan wij den blik naar de grijze oudheid, dan zien wij dat bij niet één heidensch volk een periodieke rustdag bestond. Dezen vinden wij voor het eerst en uitsluitend bij hel volk Israël, levend onder de wet der tien geboden, waarvan hei vierde luidt: Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen,- maar de zevende

Sluiten