Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den eerediénsl. Deze meening schijnt ons niet te verdedigen. Volkomen juist schreef in 1927 een legenstander van de wet, Mr. W. S. Kalma, in „Gemeentebestuur": „Het is duidelijk, dat zij niet enkel de openbare rust en ongestoorde godsdienstoefening tracht te verzekeren en het hinderen of kwetsen van hen, die een godsdienstige Zondagsviering nastreven, tracht le beletten. Het voorschrift van art. 4, dat alle openbare vermakelijkheden, ook die welke binnenshuis geschieden en dus niemand kunnen hinderen, en in het bijzonder schouwburgen en concerten verbiedt, heeft een verdere strekking en wijst de bedoeling van openbare Zondagsheiliging, van de handhaving van overheidswege van den Chrislelijken feestdag aan."

Die wet is lange jaren weinig toegepast. In 1897 schreef Parijn in zijn aangehaalde Dissertatie: „De onbruikbaarheid dezer wet is zoo algemeen erkend, dat ze haast niet meer wordt toegepast". En toen de burgemeester van Haarlem in 1897 de politie opdroeg de wet toe te passen, kwam hij deswege in scherp conflict met de Regeering, waardoor mei deze poging geen succes werd bereikt.

Langzamerhand kwam echter in de opvattingen verandering. „Onder den invloed van de nieuwe kracht, die de Calvinistische beginselen in ons openbare leven hebben geoefend en van de toenemende beleekenis der rechlsche partijen in ons staatsbestuur, in het bijzonder in de gemeentelijke bestuursorganen, heeft zich de laatste jaren een nieuwe drang naar handhaving der Zondagsrust ook van overheidswege ontwikkeld, die in een vernieuwde belangstelling in de wet van 1 Maart 1815 tot duidelijke openbaring komt.

Na tal van jaren deze wet Ier nauwemood te hebben toegepast en, zoo men ze toepaste, dit krachtens

Sluiten