Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooral de grooten, de aanzienlijken, de machtigen, de rijken dezer aarde, zij, die boven anderen geroepen zijn voor het behoud van Neêrlands godsdienstige en staatkundige vrijheid en voor de handhaving van 's volks heiligste rechten te waken, die ook voor het vreedzaam genot hunner goederen en de ongestoorde uitoefening van hun bedrijf bij de bewaring van rust en orde het hoogste belang hebben, weten nog weinig van den arbeid van Patrimonium, en hebben naauwelijks tot biertoe één oogenblik aandacht gewijd aan het doel, door die Vereeniging beöogd.

Hun zoude ik willen verzoeken, kennis te nemen van het door haar uitgegevene Jaarboekje voor het jaar 1885. De voortreffelijke bijdragen, daarin voorkomende, van de hand van den Voorzitter en den Secretaris van Patrimonium, de heeren Kater en Poesiat, zijn niet slechts geschikt de liefde voor de Nederlandsche werklieden op te wekken en tot ondersteuning van hun Verbond te bewegen; maar zij zijn ook hoogst nuttig en leerrijk.

Of werklieden, die zoo denken, spreken, schrijven en handelen kunnen, aanspraak maken mogen op stemrecht; of zij, die zulk oog hebben voor de gebreken en nooden onzer hedendaagsche maatschappij en voor de middelen om daarin herstel aan te brengen, niet verdienen zouden eene plaats in 's lands vertegenwoordiging, ten einde ook daar de belangen van den werkmansstand te bepleiten ? Wie zoude het, na de lezing van wat de heeren Kater en Poesiat in het Jaarboekje leverden, nog willen betwijfelen ? Door hen begrijpt men eerst goed, wat de heer Groen van Prinsterer bedoelde, als hij, zich onderwerpende aan de uitspraak, dat men in de Kamer niet wist wat hij verlangde, zich troostte met de gedachte, dat de kleinen en eenvoudigen in den lande, het volk achter de kiezers, zooveel beter den grond en het doel van zijnen strijd, doorzagen en dien toejuichten.

Spottend met het twee- of drietal mannen, die hem in 's lands raadzaal steunden, noemde men hem den „leider eener partij, die uit niet veel meer dan den spreker zeiven bestond." ,

De hoogleeraar Fruin evenwel, beter dan iemand den geest kennende, welke het Nederlandsche volk uit eenen langen en bangen strijd tegen dwingelandij en geloofsverdrukking is bijgebleven, getuigde toen reeds: «uwe partij is zonder twijfel eene machtige party." En moest de hoogleeraar Buys nog vele jaren later erkennen, dat de uitdrukking: „veldheer zonder leger" in 1869 beter dan ooit passen zoude voor den heer Groen van Prinsterer, met

Sluiten