Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het tusschen de part ij en door wordt bij het oogenblik onmogelijker. Sedert de invoering des Christendoms heeft in ons land, zooals in geheel Europa, het ongeloof wellicht nooit brutaler den eisch om de opperheerschappij doen hooren dan in onzen tijd; terwijl bij al den weerstand, dien het liberalisme aan het ongeloof schijnt te bieden, het aan dat ongeloof al dien steun verleent, dien het in zijne razernij, om behoud van zijn beginsel, nog bieden kan; geen wonder, het brutaalste ongeloof is de voldragen vrucht van eigen ongerechtigheid."

De onberispelijke juistheid van deze beschouwingen, zoude, ook door den heer Groen van Prinsterer, zijn erkend. Reeds vóór meer dan twintig jaren had deze de kiezers vermaand, om met dubbelen ernst op te merken, of te bedenken, hoe in de liberale leuzen: «Christendom boven geloofsverdeeldheid" en „Scheiding van Kerk en Staat" een onzedelijk en onheilig woordenspel verscholen lag; hoe het daarmede alleen om bezieling van Staat en Kerk en School met de religie van het ongeloof, om staatsalvermogen, om socialisme en caesaropapie, om vereenzelviging van den Staat met eene Kerk en School, tegen alle openbaring gericht, te doen was; hoe onder Christelijke benaming door de moderne godgeleerdheid tegen het Evangelie krijg gevoerd; hoe in- naam van den godsdienst beëindiging gezocht werd van den dienst van den levenden God; hoe strijd van het Christendom der Apostelen en Profeten tegen het Christendom boven geloofsverdeeldheid de grondtrek was van onzen leeftijd en het geheim der toekomst, maar de afgrond, waarnaar het Nederlandsche volk voortsnelde, reeds bereikt zoude kunnen zijn vóór dat nog het beslissend oogenblik van plichtsbetrachting en invloed was aangegrepen.

Aldus te spreken werd den heer Groen van Prinsterer van alle zijden ten kwade geduid. Onder zijne vrienden waren er, die met zijne leus: „Tegen de Revolutie het Evangelie" geen vrede nemen konden, en zich verplicht achtten voor het heil der ziel zoowel als voor het behoud en den bloei eener kerk te waarschuwen tegen de antirevolutionaire partij, tegen het binden van het eenwig Evangelie aan tijdelijke vormen en het vereenzelvigen van politiek en kerkelijk conservatisme met de belangen van het steeds voortgaande en zich ontwikkelende Godsrijk. Zij vreesden, dat hij, door zijnen naam te leenen aan eene circulaire van de Vereeniging voor Christelijk-nationaal onderwijs, in onbedachtzaamheid hare zaak bedierf, daar zijn naam er den stempel aan gaf der confessionele en antirevolutionaire partij en hij,

Sluiten