Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Luther eere, zegt Paulus in hét XI6 hoofdstuk, dat door de barmhartigheid, welke God aan hen, die eertijds heidenen waren, bewezen heeft, ook Israël eenmaal barmhartigheid verkrijgen zal. Op grond daarvan kan het niet anders dan een grove ondank tegenover Hem, door Wien ons genade geschied is, en een werk van liefdeloosheid tegenover Israël genoemd worden, indien wij, Christenen, door onzen Heer en Zaligmaker te verloochenen en de Schriften, die van Hem getuigen, te sluiten, op eenigerlei wijze oorzaak wierden, dat dit uitverkoren volk van God, welks aanneming voor dc wereld het leven zal zijn uit de dooden, langer verstoken bleef van het heil, dat ook voor Israël is weggelegd. En als de kerkelijke partijen door haar werk er iets toe kunnen bijdragen, dat de kennis van Christus verbreid en Hij ook door Israël als het Licht der Wereld en zijn Redder begroet worde, brengt de heer Levy aan zijn volk en aan de menschheid eene onberekenbare schade toe, door de toepassing van hare beginselen, voor zooveel deze aan Gods Woord ontleend en daarmede in overeenstemming zjjn, als een den rechtsstaat dreigend gevaar te weerstreven.

Veeleer dan dat Nederlandsche liberalen, wier vertegenwoordigers in de Kamer, met uitzondering nauwelijks van éénen, allen Protestanten zijn, zijne beschouwing deelen en zijn streven ondersteunen, mag worden verwacht, dat de hem onderscheidende schranderheid en zin voor waarheid en recht hem zijne dwaling doe inzien.

Toen Faulus aan den koning Agrippa verhaald had van de dingen, die in geen hoek geschied waren, en hoe hij op het hemelsch gezicht, hem op den weg naar Damascus verschenen, en op de stem: »Ik ben Jezus, dien gij vervolgt", niet ongehoorzaam geweest was, eindigde hij zijne rede met de woorden: «Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet, dat gij ze gelooft."

Op het beweren van Festus,dat hij raasde, antwoordde Paulus slechts woorden te willen spreken »van waarheid en gezond verstand;" en tot staving daarvan beriep hij zich, zonder eenige verdere bewijsvoering op de Profeten, wier voorzeggingen, op Gods gezag gedaan, hem blijken zouden in den gekruisten Jezus van Nazareth allen vervuld te zijn.

Of aan eene zelfde vraag, indien zij tot den heer Levy gericht wierd, ook zoude mogen worden toegevoegd: »lk weet, dat gij ze (de Profeten) gelooft", kan niet met zekerheid uit zijne geschriften, voor zoover die mij bekend zijn, worden afgeleid.

Er is reden om het aan te nemen, wanneer hij het gebod: «gij zult geen valsch getuigenis geven" voor algemeen bindend

Sluiten