Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gij, oud en edel volk, dat nu sints achttien eeuwen

Voor uwer oudren schuld zoo duur, zoo eindloos boet! Gij, aller volken smaad, mishandelde Hebreeuwen,

In 't onheil zoo gedwee, standvastig en vol moed! Gelooft niet, lijdend volk, dat Ghristnen u verachten,

Dat hun gevoelig hart met uwe ellenden spot ! Neen, 't blaakt, het zucht voor u, en mag het haar verzachten

't Is hun een weldaad van hun Heiland, van hun God.

Als zulke gevoelens de Nederlandsche Christenen — noemt ze vrij: clericalen — bezielen, heeft de Jood ook in de toekomst niets van deze te vreezen; maar het wordt dan ook verwacht, het Nederlandsche volk heeft er aanspraak op, l' het eischt het, dat aan de Christenen in Nederland door den Jood geen geweld worde aangedaan, en zij door dat oude en edele volk, hetwelk God zich uit alle volkeren heeft uitverkoren, om de wonderen zijner Majesteit, Heiligheid, Rechtvaardigheid en Barmhartigheid te openbaren en alle I geslachten der aarde in den Zoon zijner liefde te zegenen, niet verhinderd worden, om aan dien God, ook Israëls God, en aan den aan de Vaderen beloofden Redder, Heiland en Vredevorst, den Heere Jeans Christus, de eere te brengen, waartoe steeds grootere dankbaarheid en liefde hen dringen.

Tegenover den aan zijner vadereD God trouw gebleven Jood, die Mozes en de Profeten gelooft, is zulke bede nauwelgks noodig: want hij verblijdt zich met den Christen, als de Heer en zijne goedertierenheid geprezen worden.

Maar er zijn ook Joden onder ons, die verblind door de 1 wijsheid der Eeuw of verleid door het kwade voorbeeld, Vdat Christenen hun geven, met God en zijn Woord gebroken /hebben, en zich om Israëls heilsverwachtingen niet meer bekreunen. De strijd, door hen tegen de clericalen, de belijders van Christus, den éénigen Naam, in welken de mensch zalig wordt, aangebonden, is een strijd, die hun niet tot zegen, der menschheid, niet tot heil strekken, maar het vaderland slechts beroeren en van zijne bestemming verwijderen kan. Van dien strijd zingt een ander dichter, een zoon Israëls, da Costa:

Krijg in den naam der rede aan de Allerhoogste Rede, Geen wanklank, die zoo raauw-het lied der schepping stoort.

Kiest! maar geen midden meer om de uitersten te weeren . •„ \an licht en duisternis. - Kiest! maar van tweeën één,

ue wijsheid van den mensch, of de ergernis des Heeren! Aan J.ezus of Voltaire een stellig ja of neen.

Wat ook en door wien ook de poging aangewend worde, om bet Nederlandsche volk van zijn Evangeliewoord te berooven en van zijnen Heer en God te vervreemden of te

Sluiten