Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, zijnen, heiligen naam!

Psalm 103 : 1.

Wij vernemen in deze woorden de nitboezeming van een vroom gemoed, dat, vol van de erkentenis van Gods goedertierenheid, niets vuriger verlangt, dan dat alle Gods redelijke schepselen in haar deelen en haar mede zullen uitspreken. En deze lofverheffing wenscht de Dichter niet als eene slechts uitwendige, hoorbaar in lüidklinkende lofgezangen, maar als eene lofverheffing der ziel, waarin alle vermogens en krachten en werkzaamheden deelen, en waaraan deze allen dienstbaar gemaakt worden. Hij wil, dat het gemoed en het leven in den toon der Godverheerlijking zullen gestemd zijn. Loof den Heer, mijne ziel, en al wat binnen in mij is (mijn denken, gevoelen, willen en begeeren, zoo als zich dat in mijn spreken, doen en laten uitdrukt), verheerlijke zijnen heiligen naam, dat is, zijn wezen zoo als dat openbaar is.

En tot deze opwekkende uitboezeming had onze Psalmdichter de ruimste stof, gelijk hij die dan ook aanwijst in de tallooze zegeningen, waarmede God hem had beweldadigd, zoo als deze door hem in dezen Psalm vermeld worden.

Broeders en Zusters, wie is er onder ons, die zijne ziel niet met den Psalmist op de ervaring van soortgelijke zegeningen kan wijzen, om haar tot Godverheerlijkitag op te

9

Sluiten