Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schouwen als Christenen, of als Hervormden, of als Nederlanders, uit ieder dezer drie oogpunten houd ik.mij van uwe toestemming verzekerd.

Beschouwen wij haar vooreerst van het standpunt des Christens.

Er is een tijd geweest, — ach, dat zijn geest geheel geweken ware! — dat men de waarheid veranderde in de leugen, en het schepsel eerde en diende boven den Schepper, die te prijzen is in der eeuwigheid. Behoef ik het u te verzekeren, dat ik van het Heidendom spreek, welks heerschend kenmerk zich in eene eenzijdige en overdrevene waardering van 's menschen zedelijke kracht openbaarde, en alzoo op menschen- en kunst-vergoding, die in de grofste afgoderij ontaardde, uitliep? Tegen zulk eene onmatige verheffing en vergoding van het schepsel trad het Christendom te voorschijn , met de leer van Gods oneindigheid en van zijne vrije genade in Jezus Christus. Dit beginsel, door den Heer zeiven uitgesproken, werd weldra door zijne Apostelen allerwege en luide verkondigd; en de vraag: "Wat is er, dat gij niet hebt ontvangen, en zoo gij het ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?" gaf Gode de eer weder, die Hem alleen toekomt, maar die de zonde der wereld Hem ontroofd had, om haar op het schepsel over te brengen. Zietdaar het Christelijk beginsel, zoo als het tegen het Heidénsche beginsel overstaat, om er de afgoderij in al hare vormen mede te vernietigen. Het staaUin deze weinige maar veel beteekenende woorden uitgedrukt: "Uit God, en door God, en tot God zijn alle dingen; Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid!"

En zouden wij dan, zonder ons Christelijk beginsel te verloochenen , in het feest, dat wij in de pas verloopene week vierden , eene oorzaak tot Godverheerlijking kunnen miskennen ?

Sluiten