Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zouden wij de gedachtenis van de heerlijkste der uitvindingen, in het huldigen van den persoon van haren • uitvinder, kunnen vieren, zonder hooger op te zien tot Hem, naar wiens raad en door wiens wil ook de Boekdrukkunstwerd gevonden, — en evenwel op den naam van Christenen willen aanspraak maken ? Neen, toehoorders. Hoog moge, bij de dankbare nakomelingschap, de roem klinken des mans, wiens beeldtenis thans onze stad tot sieraad verstrekt, om zijnen naam en zijne uitvinding te vereeuwigen; maar hooger moet de roem klinken van dien God, die de groote gedachte der Boekdrukkunst als door een toeval in hem deed geboren worden, en wien dus ook hier boven allen de eere toekomt; of wij zouden in het Heidendom terug vallen, en wederom aan schepsel-vergoding ons schuldig maken. ■ Met die gedachte aarzelde ook ik niet, mij onder de feestvierenden te scharen, en in het versieren mijner woning van mijne hartelijke blijdschap de getuigenis te geven; vast verzekerd, dat onze feestvreugde in de verheerlijking van God moest eindigen, uit wien, en door wien, en tot wien ook deze uitvinding was. En bij de mogelijkheid, dat er zijn.konden, die het voorbij zagen en het vergaten, veeleer dan de feestvreugde te misprijzen of te veroordeelen, zoo voelde ik mij opgewekt, terwijl ik mij héden met n vereenigde, uw Christendom u te herinneren, op God u te wijzen, de aanleiding tot Godverheerlijking in de uitvinding der Boekdrukkunst u te doen opmerken, en u op te wekken, om met mij in te stemmen in de uitboezeming van den Psalmdichter: Loof den Heer, mijne ziel', en al wat binnen in mij is, zijnen heiligen naam!

Sprak ik zoo even tot u, in het algemeen, als tot Christenen, ik wil ook in het bijzonder als tot Hervormden tot

Sluiten