Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den mensch worden onbedriegelijke waarheden gesproken, aan welke hij zich toetsen kan, of hij al dan niet tot Hem is gekomen, die den armen mensch weder met goddelijk leven wil vervullen.

Het zijn zeven zaligsprekingen, die de kenmerken aangeven van het teruggekeerd zijn van den mensch tot zijn oorsprong. Wij hooren geen zaligsprekingen over uitnemend goed geformuleerde denkbeelden der waarheid. Neen, bij wijzen en onwijzen, rijken en armen bestaat slechts éen kenmerk van den terugkeer tot de orde Gods, en dat is: het erkennen van het arm zijn aan het goddelijk leven der liefde; het smartgevoel bij het ervaren van de macht der zonde, der zelfzucht en der verkleefdheid aan zienlijke dingen; aan het gevoel van deze armoede wordt de zaligheid toegekend. Waarom? Omdat de waan der dwaze zelfgenoegzaamheid is verbroken en zelfkennis de eerste schrede is in het koninkrijk der hemelen.

Maar deze ervaring is geen voorbijgaande smart, neen het is een blijvende gemoedsstemming. Laat ons slechts de tweede zaligspreking hooren. Daar is het: „zalig zij, die treuren, want zij zullen vertroost worden." Ziedaar het kenmerk van het door Christus verworven leven. Een treuren over onzen toestand, een droefenis naar God, die een onberouwelijke bekecring tot zaligheid werkt. De zegen der vertroosting zal worden geschonken en worden genoten, maar in den weg der verootmoediging en vernedering des harten.

Zachtmoedig wordt het trotsche, zelfzuchtige hart; wij zien dit in de derde zaligspreking.

Nu kan de mensch de ij delheden vaarwel zeggen, en terwijl hij daarvan geen heil meer verwacht, wordt hem reeds in beginsel de belofte ten deel: hij zal alles beërven wat de mensch in den staat der rechtheid genoot. En naarmate het gemoed verteederd wordt, naar die mate wordt er voor het zielsoog een schat ontsloten, dien men poogt te verkrijgen. Men heeft goddelijke heerlijkheid, heiligheid en gerechtigheid ontdekt, en nu gaat het hart er naar uit, om deze te bezitten. O, voorzeker als de afgrond van onzen afval van God ont-

Sluiten