Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denktecken een dag van vreugde en feestgenot voor allen! Want zoo als onze Sijpkens zegt: het moet alleen strekken als een onwankelbaar getuigenis dan tijdgenoot en nageslacht van de zedelijke kracht, de zelfverloochening en de onwankelbare trouw in het hngchelijksle tijdsgewricht van een klein, maar eerlijk volk.

»Een volk, dat met of zonder kruis al de zonen van datzelfde vaderland door een onverbreekbaren band van eendragt vereenigt en zat blijven vereenigen.

i In dien zin en met die gewaarwording heet ik u dan nogmaals welkom. Welkom, kameraden 1 op het feest van vrede en Itoow, en ik open daarmede onze heugelijke feestviering."

Daverende toejuichingen breken de rede van den heer Zillesen bij herhaling af en als de feestredenaar geëindigd heeft, weergalmt de zaal van een driewerf: leve de Koning l

De heer L. H. Kuhn, sekretaris van dezelfde afdeeling, betreedt daarop het spreekgestoelte. Zijne rede is van dezen inhoud:

» Geachte Hoofdbestuurders, Hoog-Edel Gestrenge Heeren!

»Gij allen Mijne Heeren, Wapenbroeders van vrotgeren lijd, van welken rang of stand ook!

» Trouwe Kameraden!

»» Het is betameRfk dat men den Heer love, Zijnen -naam prijze!

» »Dat men id den morgenstond Zijne goedheid vérkondigc én,:Zijne getrouwheid in de nachten!

»»Warit Gij hebt ons verblijd, o God! met Uwe daden, eri wij juichen over de werken Uwer handen.""

«Zoo, M. H.! zong eens de koninklijke en gewijde dichter der oudheid, en de vreugde die hij toen smaakte, zij ook de bron onzer vreugde bij de dagen iie ons wachten!

»Nergens is ooit zulk een feest bereid als dat feest, hetgeen wij thans door Gods goedheid mogen vieren!

1 »Neèrlands vól*, doordrongen van alles wat edel, goed is en wel luidt; de natie, waarhij geen deugd wordt gemist, vereenigt zich thans om te denken aan de innige trouw en den ouverhroken band, die haar aan het vorstenhuis van Oranje verbinden, en wil zich herinneren den geest, die haar 25 jaren lang bezielde.,

»En de Vorst, de kleinzoon van hem die ons eens te wapen riep, toen hij de hulp zijner trouwe onderdanen behoefde, de zoon van hem, die loon, even als zijn broeder, met ons de gevaren en wisselvalligheden van eencn krijg deelde, zal, als vertegenwoordiger van dat stamhuis in liet derde geslacht, wéldra zijnen wensch vervuld zién, om in de hoofdstad van zijn rijk de blijken van dezelfde gehechtheid van zijn volk te ontvangen, én door zijne verschijning do nooit geschondene belofte ko¬

men bekrachtigen-, dat hij de vrijheid en de reglen van al zijne onderdanen zal beschermen.

»Van zoodanig schouwspel toont de geschiedenis geen voorbeeld; zoodanig zilveren feest van liefde, trouw van het volk tot den Vorst' en van den Vorst tot het volk, is nooit gevierd.

»Geen wonder, M. H.l dat wij, die voor 25 jaren een werkzaam aandeel hadden in al datgeen, wat nu reeds tot de geschiedenis des lands behoort, green wonder, zeg ik, dat wij talrijk zijn opgekomen om dat feest te vieren.

> Ons feest is niet de vereeniging eencr groote joelende menigte, zonder aanleiding of' oorzaak bijeengekomen, maar beeft bij u en mij eene hooge beteekenis en diepen zin. ,.'

» In den ochtendstond van dezen dag toch zult gij, welligt reeds in het stille slaapvertrek of in huiselijkcn kring bij de eerste beete broods u de goedertierenheid des Alleraoogsten herinnerd hebben, die u, de uwen en het uwe gedurende een tal van jaren spaarde!

»Of hébben in de verloopen jaren niet vele gevaren u en hen die gij lief hebt bedreigd?

» Hebben •zorgen, drukkende zorgen, u niet gevolgd en gekweld?

»En wie anders dan Hij, ever de werken van Wiens hand wij ons met den gewijden dichter verheugen, heeft die gevaren, afgewend en de gelukkigste uitkomsten gegeven, daar, waar wij bet ergste vreesden.

» Wie van ons, kinderen van het oogenblik, wier leven een zeepbel is, kon of mogt denken of verwachten dat na 25 jaren, waarin zooveel rondom ons is voorgevallen-, wij zóó het feest van den dag zouden vieren, als wij dit, Gode zij dank! kunnen en mogen doen.

»O! het besef dier goedertierenheid stemt het hart tot dankbare vreugde, al is het dat bij het overzien van het tijdvak dat achter ons ligt, velen gemist worden, die vroeger met ons waren;

»Wie is de gehikkigc, de eenige, die in dat tijdvak geen leed hééft doorstaan, hij wicn de goede dag niet naast den kwaden stond! Wie beeft, als ik, geene dierbare moeder, of kind, of andere dierbaren aan den schoot der aarde moeten toevertrouwen.

»Het huis des Koning* bleef evenmin als dat van een zijner onderdanen door den dood onbezocht.

j In het prathtig paleis en in de woning des vergelen burgers zijn tranen gestort, dié getuigden dat wij gevoelden van Hoogèr Wezen afhankelijk te zijn, "Wiens wogen duister, maar Wiens doen de liefde zelve is.

» Heeft het gehccle vaderland den róuw niet gekend, toen de ridderlijke Koning, wiens slum ieder aanmoedigde, wiens oog ieder ontvonkte, wiens hand en witte vederbos- ieder het pad der eer wezen, toen ook hij den tol dér natuur betaalde'?'

i Hebben wij niet geleden met onzen Koning, toén aan zijn ouderhart een veel belovend kind werd ontrukt , welks liefkozingen voor hem even welgevallig waren als die van onze kinderen voor ons zijn?

i O ! betreurden wij het niet dat aan onze verceriigingen zoovele braven en laatstelijk nog de roemruchtige vlootvoogd der Schelde moest ontvallen? '

> Het herdenken aan dit alles moge met weemoed

Sluiten