Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tige feesten in het Park bijgewoond, o. a. herinneren wij ons de Rembrandtsfeesten, den wedstrijd der Liedertafels, enz., enz., doch het heugt ons niet er ooit zulk eene menigte mensehen bijeen te hebben gezien als heden avond. Zonder overdrijving meenen wij het getal personen, daar verzameld, veilig op acht duizend, zoo niet meer, te kunnen schatten. Yoegt men bij die massa het daaraan onafscheidelijke gejoel, dat het wandelen door zaal en tuin Vergezelt, de toiletten der dames, de tallooze borsten met eereteekenen versierd, de schitterende uniformen van vele officieren enz., de muziek van twee orkesten (het gewone Park-orkest en het muziekkorps der veld-artillerie, onder den kapelmeester Rudersdorff), de aard der muziek (b. v. eene gelegenheidsfantaisie van A. Berlijn), de door Vrjig't voorgedragen vaderlandsche liederen, maar' bovenal, wat wij wel in de eerste plaats mogten vermelden, de uitstekend schoone, kostbare, 'smaakvolle, voor-. treffelijk toepasselijke dekoratie, die de in gaslicht prijkende fontein van drie zijden omgaf, — eindelijk de prachtig gedekoreerde groote zaal, thans door duizenden gasvlammen als in een tooverpaleis herschapen, — en ten slotte de keurige feestilluminatie van den tuin, — dan zal men een denkbeeld kunnen vormen van het schouwspel dat het Park, dank hebbe de zorgen en het ijverig streven van den onvermoeiden Stumpff, van dezen onvolprezen, nij veren ingezetene der hoofdstad, heden avond opleverde.

In deze korte, maar veel omvattende woorden hebben wij alles gezegd wat er van dien heerlijken door de natuur begunstigden avond te zeggen is. Aan ons voornemen

eene schets te geven van de dekoratie van den tuin (voor die der zaal verwijzen wij naar het tweede blad van dit verslag) zullen wij geen gevolg geven, omdat een andere pen hierin reeds voor een deel heeft voorzien in het bij dé Erven H. van Munster en Zoon uitgegeven Geïllustreerd Feestblad, waar tevens twee houtgravures worden aangetroffen, voorstellende twee van het drietal dekorajiën van de fontein, nl. de allegorie op den oorlog in 1831 en den vrede in 1856, en die op den tegenwoordigen zusterhand der twee natiën. Eenige dichtregelen geven den zin en de beteekenis dezer allegoriën te kennen.

Prins Hendrik, die zich zijne betrekking van voorzitter van het hoofdbestuur van de vereeniging Hel Metalen Kruis in deze heugelijke dagen zoo ten volle waardig toont, heeft zijne medeleden ook naar het Park vergezeld; hij vertoeft er een groot deel van den avond , onderhoudt zich met velen der aanwezigen op de welwillende wijze en laat door zijn vereerend bezoek nieuwe indrukken achter, die steeds eene aangename herinnering zullen zijn voor allen die of zeiven zich in 's prinsen omgeving mogten bevinden, of getuigen waren van de warme belangstelling door hem in het feest aan den dag gelegd.

Tot laat in den avond blijft het gezelschap, of liever de bevolking — want een aantal gemeenten te zamen genomen telt zoo veel zielen niet, als de heer Stumpff als gasten tegelijk bij zich ontving — bijeen, cn na cenigè aangenaam doorgebragte uren scheiden de feestelingen, na met een krach; tigen en kameraadsckappelijken handdruk elkander het voor hen zoo veel beteekenénde lot morgen ! te hebben toegeroepen.

Sluiten