Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een afgevaardigde doet de vraag: Maar bjdt de roeping door den Heere tot den zendingsarbeid er niet onder, als br. Haan niet weder naar Batavia of elders gaat? Antwoord: eenspecieel geval is geen regel. Hetzelfde gebeurt met onze predikanten, die door omstandigheden ook wel moeten veranderen.

Een ander broeder vraagt: Toen H.'beroepen werd te Genderen, bleek toen de ziekte van den zendeling Huijsing al van dien aard te zijn, dat hij niet te Batavia kon blijven? Een ontkennend antwoord volgt. Nog wordt de vraag gedaan: Was het niet beter, dat Haan naar Batavia en Huijsing naar de binnenlanden was gegaan: a. wijl Huijsing liever, zooals hij altijd zeide, onder de Heidenen wilde werken, b. wijl Haan beter met het Maleisch op de hoogte was en geschikt tot opleiding van inlanders? Antwoord: De Zendingscommissie heeft ook dat overwogen, maar zij bleef toch bij hare meening. Zij behield Huijsing liever te Batavia. Op de opmerking van een vierden spreker: Haan heeft een dubbel tractement verlangd om terug te gaan naar Java's hoofdstad en dit betreur ik voor het prestige onzer Zending, luidt het antwoord: dat heeft H. niet gedaan, hij heeft alleen op den feitelijken toestand gewezen. Het is niet gebleken, dat de Zending er scha bij lijdt onder ons volk. Indien men Haan met vrij wat hooger salaris had moeten terugzenden, dat zou veel ongunstiger indruk in de gemeente veroorzaakt hebben. Er is ook gezegd, dat de Zendingscommissie kon gewacht hebben tot de Synode met Haan beroepbaar te stellen, om dan haar te laten oordeelen. Maar ofschoon de Commissie alles wil en kan openleggen, zij vooral moet ook een mate van vertrouwen hebben.

De Vergadering neemt het medegedeelde voor kennisgeving aan en stapt van dit punt af.

Art. 183.

Nu volgt de vraag: Had de Zendingscommissie bevoegdheid om Haan te ontslaan ? Een lid der Zendingscommissie antwoordt: De Zendelingen hebben hetzelfde radikaal als elk leeraar onzer Kerk, maar hun wordt een ander werkkring aangewezen, dien ze zonder toestemming der Commissie niet verlaten mogen.

N.-Brabant erkent de bevoegdheid der Commissie in dezen, maar* vraagt: In welke gevallen is het geraden tot zulk een stap over te gaan? De Voorzitter antwoordt: dat kan onmogelijk nader beschreven worden, althans van te voren niet. Bij de verklaring: de Zendingscommissie moet tot zulke verplaatsing van het zendingsveld naar de Kerk hier te lande niet overgaan dan alleen in het belang der Zending, moeten wij het laten. Hierin drukt hij het oordeel der Synode uit.

Sluiten