Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwaad, zijn oneerlijk, handelen in strijd met Gods Woord, als zij leden worden van gemeenteraad of Tweede Kamer.

De tweede Prae-adviseur begint met te herinneren, dat wij dit punt vro eger ook al op onze Synoden besproken hebben. Het resultaat was: iéder moet weten wat hi) doet. Art. 14 der D. K. vooronderstelt, dat het onderlaten van den dienst voor een tijd toch gebeuren kan, maar niet zonder advies van den kerkeraad. Dr. Kutpeb stond het eerst voor het feit. Spreker ried hem aan het lidmaatschap der Tweede Kamer aan te nemen. Bij gelegenheid van Donnebs benoeming hebben wij gezegd: aannemen, except Van Velzen en King. Omstandigheden kunnen het raadzaam maken. Is dat nu nuttigheidsbeginsel of iets van dien aard? Zoo noemen wij het, maar in christelijken zin. Principieel is spreker het met zijn collega, die voor hem het woord voerde, eens; zij blijven leeraren. Maar in onzen tegenwoordigen tijd kan een leeraar of Docent zich geroepen gevoelen het lidmaatschap van een staatkundig lichaam te aanvaarden. In de grondwet is een leemte. Als men maar geen gemeente of parochie heeft mag men kamerlid worden met behoud van het radikaal. Staat het vrij een lidmaatschap aan te nemen, dat is de vraag? Ieder raadplege met zijn geweten wat hij voor God doen moet. Wat deed Gboen in 1857? Hij ging om zekere zaken voor zeker doel naar de Kamer. Dat kan een predikant ook doen, b. v. om de finantiëele banden los te maken van de Kerk aan den Staat.

De derde Prae-adviseur krijgt het woord. Hij stond verwonderd over N.-Brabant, dat blijkens de toelichting de vereeniging van staatkunde en godsdienst voor de leeraren niet wil toelaten. Had N.-Brabant zich willen gelijk blijven, het had het ook tot de ouderlingen en diakenen moeten uitbreiden. Wat de zaak betreft, het Grondwetsartikel kan uitgelegd worden, zooals de eerste Prae-adviseur het deed. Doch later is het door de Kamer verklaard, en dan zijn de Docenten en ook de Zendingsdirector vrij. Wat de kracht aangaat, welk evangeliedienaar houdt zich zoo geheel aan zijn ambt? Ieder heeft er iets bij: boerderij, fabriek, oesterteelt, werken voor de pers enz. Lndt het werk er niet onder, geen kerkeraad mag dan zeggen: gp moogt niet. Aan de gewetens der individuen moet het al of niet kunnen worden overgelaten. De Kerk mag hare Docenten niet binden. Mag een leeraar, die een gemeente heeft, zich candidaat stellen? Hij mag niet zelfstandig beslissen, maar moet eerst volgens art. 12 D. K. zijn Classis vragen. Docenten en Zendingsdirector, die geene gemeente hebben, hebben daar niets mêe noodig.

De vierde Prae-adviseur, het woord gekregen hebbende zegt: laat ons drie kwesties goed onderscheiden.

Vooreerst de kwestie, welke houding heeft de christen aan te nemen in den revolutionairen Staat? Dat is, zegt de Kerk,

Sluiten