Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ginder staan huizen, groote en kleine, soms veel, soms weinig bij elkander. In de huizen wonen menschen.

Ieder doet wat. De een spint; de ander zaait koren; een derde bakt brood; een vierde weeft linnen. Indien gij vlijtig leert, zult gij mettertijd ook wat doen, mijne liefjes!

De vogels kunnen geen koren zaaien; de koe, het paard, de schaapjes kunnen geene spijs voor zich bereiden.

Zij bakken geen brood, zij weven geen linnen, zij bereiden geene kleederen voor zich. Gras en klaver eten zij, en de zaadjes, die zij vinden in de weide en op den akker.' Maar zij weten niet, wie dat alles groeien doet, of hoe het toebereid wordt; dat weet de mensch alleen.

Een mensch weet meer dan duizend dieren. De mensch is wijzer dan de dieren.

„Boven'ons is de heldere blauwe hemel en de gouden zon. Alles, wat groeit en leeft, wordt verkwikt door hare verwarmende stralen.

„Wie woont in den hemel ?

„Ja! wie woont daar?

„Stil, kinderen ! de hoeden af — de handjes gevouwen !

Ik zal n zeggen, wie daar boven in den hemel woont.

„Onze lieve Heer, God, de goede Vader van alle menschen en dieren, woont in den hemel. Hij is de Vader van alle schepselen: alle schepselen heeft Hij lief, alle schepselen doet Hij wel. Hij geeft veel, en Hij geeft gaarne.

„God zeiven kan men niet zien ; maar wij zien de werken van God. De hemel en de aarde, met alle menschen, dieren en gewassen — dit alles is het werk van God. Ieder ziugend vogeltje, iedere vruchtdragende boom iedere welriekende bloem, ieder grasje in de weide — alles is het werk van God!

Sluiten