Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Trouwen had: (II Samüel III) Ahinoam, Abigaïl, Maücha, Haogith, Abital, Egla te Hebron en later vinden wij van hem : en David nam meer bijwijven (II Sam. V: 18) en vrouwen van Jeruzalem, nadat hij van Hebron gekomen was. Daarbij komen nog zijne eerste vrouw Michal (II SAMüëL VI), die onvruchtbaar bleef, omdat zij David uitlachte, toen hij in een linnen lijfrok uit alle macht springende en huppelende was bij gelegenheid van een verplaatsing der ark en een aantal bijwijven, (I Kron, III : 9) die niet met name genoemd worden.

Van Salomo (I Kon. XI: 8) die slechts 700 vrouwen en 300 helpsters had, maken wij in eens een sprong naar het nieuwe testament, waar wij aangaande het huwelijk geen ander voorschrift vinden, dan tegen het plegen van hoererij. (*) Alleen den opzieners der gemeente wordt door Paulus voorgeschreven ééner vrouwe man te zijn» zoodat daaruit duidelijk volgt, dat de andere leden der gemeente er meer vrouwtjes op mochten nahouden. (I Thim. III : 2.)

Het woord hoererij wil dan ook blijkbaar niets anders beteekenen dan te intieme omgang met andere gehuwde of publieke vrouwen, die blijkens Salomo's spreuken en Christus' woorden: „die van u zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar" in 't Joodsche rijk nooit ontbroken hebben; terwijl men door echtbreuk niets te verstaan heeft, dan het verlaten van eene der vele vrouwen, die men eenmaal als echtgenoot had aangenomen. —

Ik heb bij dit voorbeeld eenigszins langer stil gestaan,

(*) Dat God overigens de hoererij niet bijzonder kwalijk nam, kan r.og daaruit blijken, dat in 't geslacht van Christus, drie dames voorkomen, wier geweten op dat punt niet zeer zuiver is: Thamab, Rachab en Bathseba.

Sluiten