Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voeren over hen, en hunne grooten gebruiken macht over hen. Doch alzoo tal 'tonder u niet zijnj maar zoo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn en zoo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn.

Zegt Jacobüs niet: (Jac. II) Want zoo in uwe vergadering kwam een man met eenen gouden ring aan den vinger in eene sierlijke kleeding en er kwam ook een arm man in met eene slechte kleeding en gij dengenen met de sierlijke kleeding zoudt aanzien en den arme onder uwe voetbank zoudt doen zitten, dan zijt gij rechters van kwade overleggingen.

Overweldigen u niet de rijken (Jac. II : 6, 7) en trekken zij u niet voor de rechterstoelen? Lasteren zij niet den goeden naam, die over u aangeroepen is?

Wat leert de apostel hier ? Is het niet de volkomen gelijkheid van allen ? —

Wat Jacobüs schrijft was bruikbaar voor zijne tijdgenooten; ware hetgeen hij schrijft Gods woord, dan moest het ook voor ons van toepassing blijven.

En dat is eene onmogelijkheid; immers 't zal toch wel geen betoog behoeven, dat gelijke verdeeling van goederen, gelijke eerbewijzingen onmogelijk zijn?

Maar weet ge wat een zegen is van den tegenwoordigen tijd?

Dat hij ons leert, dat alle menschen gelijk zijn voor de wet; dat er zonder wettige bepalingen geene vrijheid bestaan kan en de openbare school, het schoonste voortbrengsel onzer eeuw, leert als eerste zedeles, dat men aan de wetten van den staat volkomen gehoorzaamheid verschuldigd is.

Degenen, die den bijbel ais Gods Woord beschouwen en als zoodanig een overwicht willen toekennen, komen ten gevolge van hunne leuze „men moet Gode meer gehoorzamen dan den menschen" voortdurend iu verzet tegen

Sluiten