Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de wetten des kijks; dien vrede, die voortvloeit uit de overtuiging dat, "waar geoorloofd eigenbelang, verstandelijk inzigt en zedelijke "verpligting ons gelijkelijk dringen tot eene bepaalde handeling, wij "geene vrijheid kunnen hebben, om die handeling na te laten, of, meer "nog, in andere rigiing te handelen" (Levensvraag, blz. 28). Andere bevrediging echter stond niet in mijne magt of achtte ik te kort doen aan waarheid, regt en pligt. Daarom toonde ik aan, en poogde ik te bewijzen dat die vrijheid, welke sommige Kerkbesturen begeeren, in strijd was met den historischen Grond waarop zij rusten, in strijd was met de Wet des Rijks, in strijd was met het Beginsel, met het Stelsel, met de Bepalingen der Armenwet, ja, in strijd met het gezond verstand : omdat de wetgever, door het toestaan van die vrijheid, der Diakoniën zou hebben toegestaan "de Wet feitelijk te vernietigen; "haar tot eene papieren Wet te maken" {Levensvraag, blz. 85).

En toch wanneer ik "om de Diakoniën te bevredigen," had moeten aantoonen (zoo als de Schrijver der Opmerkingen voortgaat), "bf dat "de Diakoniën des niettemin vrij zijn, bf dat zij het regt niet heb"ben het te wezen" — dan zou ik bijna aanvangen te gelooven, dat ik de Diakoniën werkelijk "bevredigd" heb. Want ik heb, en naar ik mij vlei nog al duidelijk, aangetoond .-

1°. Dat de Diakoniën feitelijk VKU zijn; maar dat zij, bij het te streng handhaven van die feitelijke vrijheid, de oorzaak zullen worden van een hopeloos staan der Armen tusschen de kerkelijke Gemeente, die hen, volgens hare meening, niet helpen kan, en tusschen de burgerlijke Gemeente, die hen, volgens hare meening, niet helpen mag; — de oorzaak zullen worden van eene steeds toenemende verwaarloozing der Aimen-zorg, eener steeds toenemende uitbreiding van het Pauperisme; — de oorzaak van ellende, verbittering, wanorde, zoo niet erger (Levensvraag, blz. 37 en 38).

En ik heb wijders aangetoond:

2°. Dat de Diakoniën, ofschoon feitelijk vrij, toch wettelijk gebonden zyn; dat zij ofschoon de magt bezittende, toch niet het regt hebben op die vrijheid welke zjj begeeren; dewjjl de Wet des Rijks (geve ze ook door het woord kunnen in Art. 21 aanleiding tot verschil van opvatting) die volstrekte vrijheid en zelfstandigheid, op meer dan ééne wijze, en duidelijk en bepaald, beperkt heeft, Armenwet Art. 10, 11, 60: — en zoowel Individuën als Zedelijke ligchamen, zoowel de Staat als de Kerk, hun burgerlijk regt alleen kunnen ontleenen aan de Wet.

Doch — hoe dit alles ook zij — het is in elk geval de Rijkswet

Sluiten