Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeer belangrijke zijde van bet geschil is) hier nog weder een paar 'bladzijden uit de Levensvraag laten afdrukken (zie aldaar blz. 26):

Be Minister van Biunenlandsche Zaken (van reeken) toonde bij de behandeling der Wet aan — wijzende op den regtstoestand, ontstaan onder de werking der Wet van 28 Nov. 1818, en op den feitelijken toestand der Armbesturen.

1°. dat de burgerlijke gemeente ten opzigte der Armoede niets mag

doen dan politie-zorg oefenen; 2°. dat de wensch van de Regering was, bij de Wet te verkrijgen: "een' langzamen overgang tot eene algeheele kerkelijke en bijzondere liefdadigheid;" 3°. dat de subsidiën uit fondsen van burgerlijke gemeenten aan instellingen van weldadigheid in zich zelve een wezenlijk kwaad zijn;

4°. dat in elk geval geen burgerlijk Armbestuur mag ondersteunen, dan wanneer de Arme van elders geen' onderstand kan erlangen en niet in staat is voor zich zelvcn te zorgen; — dat er bovendien volstrekte onvermijdelijkheid tot die hulp moet bestaan — en "dat, waar beide, of een van beide die vereisch"ten ontbreken, de ondersteuning door Burgerlijke besturen "uitdrukkelijk verboden is;"

5°. dat het ondersteunen van behoeftigen is een zedelijke, geen burgerlijke pligt — en de burgerlijke Armbesturen-dien onderstand evenzeer kunnen weigeren, "als ieder bijzonder persoon dit doen kan."

Verbindt men nu daarmede de strenge verpligtingen, met hoofdelijke aansprakelijkheid voor zware boete bij het niet vervullen daarvan, den kerkelijken Armbestuurders zelfs der "we^-gesubsidiëerde" Diakoniën, bij Art. 10 en 11 der Armenwet opgelegd (zie hiervoor blz. 71); raadpleegt men daarbij het gevoelen van M*. w. de sitter (de Wet tot regeling van het Armbestuur): "dat de Gemeentebesturen, in de bedoeling der aangehaalde Wetsartikelen, ofschoon onverpligt, toch bevoegd zijn de naauwkeurigheid der opgaven van de "ongesubsidieerde" Diakoniën na te gaan ; en het Openbaar Ministerie moet geacht worden gehouden te zijn, de kerkelijke Armbestuurders, wanneer zij opzettelijk verkeerde opgaven doen, te vervolgen: 1 — dan leze men verder in de Levensvraag (blz. 31):

1 db srrTEjL ontleent deze gevolgtrekkingen uit Art. 10 en 11, in verband met een

Sluiten