Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"Ook wanneer wij den goeden teil der kerkelijke Armbesturen in de ruimste mate aannemen, kunnen toch deze gevolgen niet uitblijven. Zoodra eenig kerkelijk Armbestuur (nu reeds worstelende met stoffelijke bezwaren) ziet, dat een ander den onderstand zijner Armen geheel of gedeeltelijk (door de verklaring, dat zij van hem geen hulp kunnen erlangen) overbrengt op de burgerlijke Gemeente, zal het eerst genoopt, en al spoedig gedrongen worden, hetzelfde te doen. Het zal zulks te spoediger doen, naar mate de burgerlijke Gemeente milder en volkomener hare instellingen voor onderstand organiseert. Het zal zulks te spoediger moeten doen, naar mate de leden van het Kerkgenootschap, bespeurende dat de burgerlijke Gemeente toch helpt, zich meer en meer van het bijdragen tot kerkelijke liefdadigheid terugtrekken."

"Er zijn er, die meenen, dat Staats-Armenzorg, mits behoorlijk georganiseerd, tot gunstige uitkomsten leiden kan. Wij stemmen gewillig toe, dat er, uit het oogpunt van eenheid en kracht, veel voor te zeggen is, ofschoon materiële rigting en strekking daarbij steeds op zedelijkgodsdienstige de overhand zal hebben. Op de boven beschrevene wijze ontstaan, zou men echter in tiendubbele mate al de nadeélen der Staats-Armenzorg hebben, zonder één der mogelijke voordeden."

VI.

Br. van limburg brouwer zegt, op blz. 30 zijner Opmerkingen:

«Staat en Kerk sloegen tot nu zoo broederlijk de handen inéén, en "het ging daarbij beiden en tevens den Armen in ons gezegend land "wel; waartoe dan die theoriën, die de grenzen van beider gebied "streng afbakenen, op het gevaar af, dat allen er schade bij lijden."

"o Wal onbewust bittere ironie!" zag ik mij gedrongen uit te roepen bij 't lezen dezer woorden (Zie Noot op blz. 41).

En waarlijk, indien de zaak niet zoo ontzettend ernstig ware, men zou een oogenblik tot glimlagchen genoopt worden over de sarcastische kritiek, welke de Schrijver der Opmerkingen, in deze woorden, over zijn eigen stelsel en over de slotsom van zijn eigen betoog, onbewust, velt en uitspreekt.

Wie toch — hij ware dan volslagen vreemdeling op het gebied van de Wetgeving der Armverzorging en van den toestand van ons Armwezen — wie toch weet niet, hoe sinds 1818 (om niet van nog vroeger

6*

Sluiten