Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te spreken) er niets dan eeuwigdurende conflicten zijn geweest tusschen de burgerlijke en kerkelijke Armbesturen, tusschen den Staat en de Kerk, juist, omdat op het stuk van Armverzorging de grenzen van beider gebied niet waren afgebakend: Wie weet niet hoe vreeslijk, juist daardoor, het Pauperisme in ons Vaderland, bepaald in ons Gewest en meer nog in onze stad Amsterdam, woekert en voortwoekert, en als weldra ongeneesbare kanker onze beste levenssappen vergiftigen zal?

Ach! hoe "gezegend" ons Vaderland in vele opzigten zij, in dit opzigt is het er treurig, zeer treurig gesteld. Daarom is dit tijdstip — het tijdstip eener nieuwe "Wetgeving tot regeling van het Armbestuur", zulk eene levensvraag voor oogenblik en toekomst. Houdt men thans niet vast aan beginselen, beginselen in overeenstemming met de wetenschap der Armverzorging, dan (ik zeg het met heiligernstige overtuiging) dan gaat Nederland, dan ten minste gaat de stad Amsterdam onredbaar te gronde. Laat men dit oogenblik voorbijgaan in zwakte en weifeling aan de eene, in hardnekkigheid en misbegrip aan de andere zijde, dan is er aan geene wezenlijke regeling van Armbestuur ten onzent meer te denken en wij zullen verzinken in den bajert!

Daarom — en och of de Heer van limburg brouwer het kon en wilde inzien; en allen met hem! — daarom ook deze zijne beweringen, die niet "poesie" maar "fictie" zijn, nog eenmaal, onderworpen aan den toets der werkelijkheid, aan den toets der feilen!

"Staat en Kerk sloegen tot nu toe zoo broederlijk de handen ineen." ' Behoef ik te antwoorden met de duizende feiten, die het tegendeel bewijzen: feiten aan niemand bijna onbekend? — Maar neen! waartoe, bij zooveel geduld als ik reeds van den Lezer vragen moest, hem nog weder méér gevergd voor het betoog: dat het des daags licht is en des nachts donker? Béne aanhaling uit mijne Levensvraag volsta.

Zoo de Regering eens Lands, op welke wijze dan ook, het Armbestuur "tot een onderwerp van aanhoudende zorg zal kunnen maken en '"t bij de Wet zal kunnen regelen" (Grondwet, Art. 195), dient zij ten minste het bestaande te kunnen overzien en te weten, wat en hoe er aan georganiseerde Armverzorging in den Lande gedaan wordt; door wien en aan wie er Armenzorg wordt geoefend en besteed. Zoolang Haar die kennis ontbreekt, is er aan geene goede regeling bij de Wet, is er aan geene regeling hoegenaamd te denken. Om dit eerste element van Regeringsbeleid nu, kennis van het bestaande, heeft ons Gouvernement de Kerkgenootschappelijke Armbesturen duizend- en dui-

Sluiten