Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zendmaal gebeden maar de broederlijke handslag hunnerzijds is

uitgebleven. De toegereikte hand der Eegering is zoo weinig aangenomen, dat deze zich genoodzaakt heeft gezien, strenge straffen te bepalen op het niet inzenden der noodwendige opgaven. Zij heeft de Bestuurders ook der meest onafhankelijke, zelfstandige, "ongesubsi"diëerde" Diakoniën-met die straffen bedreigd op de navolgende gronden (zie Armenwet, Memorie van Beantwoording en Levensvraag, blz. 30):

"Be weg van gemeen overleg en welwillendheid is bij vele weige"rende Besturen zoo dikwerf vruchteloos beproefd, dat de waardigheid "van het Openbaar Gezag soms dreigde er onder te lijden. Langs de"zen weg kan dus het doel niet worden bereikt. De Begering ver"wacht evenwel van een gebod bij de Wet, in verband met den eerbied "van het Nederlandsche volk voor de Wet, dat de toepassing der "bedreigde straf, buitengewone gevallen uitgezonderd, onnoodig zal zijn."

"Maar, al ontbrak dan misschien ten dezen opzigte hier of daar een "weinig aan de goede verstandhouding tusschen Kerk en Staat — het "ging dan toch daarbij Kerk en Staat beiden, het ging toch den Ar"men in ons gezegend Vaderland wél!"

Ik antwoord:

Het ging den Armen wel; zij 't zoo! Doch hoe ging 't den nogniet-Armen? Hoe ging het den nijveren arbeider, bekort in zijn karig dagloon door de concurrentie der bedeelden? Hoe ging 't den kleinen burger, als hij, ware 't ook weinig, toch meê moest opbrengen voor "bedeelden", wier lot soms bijna zijne wangunst opwekte? Hoe ging 't den midden-burgerstand, buigende onder den druk der belasting, die, nevens zooveel, alleen voor de burgerlijke Armen van hem soms een vierde deel vergde van zijne geheele belastingopbrengst? Hoe ging 't onze goede stad Amsterdam, onder eene behoefte van zeven tonnen gouds alleen voor burgerlijke Armenzorg, op eene Begrooting van nog geen drie Millioen (de rente van de Gemeenteschuld niet daarbij gerekend) »♦ Hoe ging 't ons Gewest Noord-Holland, dat in 1854

1 Bijna zooveel derhalve als de AEftuivAusriT-BiXASTiifG, onder welke de Burgerij zucht. En bleef 't nog daarbij! Maar neen, gij hebt hieraan toe te voegen: lo. al wat de Diakoniën, 2°. al wat de liefdadige Vereenigingen, 3o. al wat de geheel persoonlijke Liefdadigheid doen — te zamen gewissebjk de zeven tonnen gouds der burgerlijke Armenverzorging nog met het dubbel overtreffend.

Sluiten