Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"van zeiven tut hetgeen het burgerlijk Bestuur kan verleenen, dewijl "het geven van geneeskundige hulp in redelijken zin volstrekt onver"mijdelijk is."

"Wjj mogen echter niet onopgemerkt laten, dat dit weder eene van die buiten-wettelijke verzachtiugen is, welke, in den drang der beraadslaging en bij het gevaar van de Wet verworpen te zien, aan de Regering ontlokt zijn — doch die niet in de wet staan, en die zelfs met haar beginsel (kerkelijke Armenzorg is regel!) in strijd schijnen.

"Wij moeten wijders doen opmerken, dat wij hier, alweder, met dat weifelende woord kan te doen hebben: — doch dat, zoo ergens, dat woord hier wel niet zal beteekenen: moet.

"Wij moeten daarnevens doen opmerken, hoe dat kan, toch van zelf moet zou worden — wanneer zoodanig stelsel werd gevolgd. Immers, waarom zou de eene Diakonie, in eene bepaalde burgerlijke Gemeente (bij zooveel ander moeijelijks als de Armenwet voor haar opleverde) zich blijven belasten met den geneeskundigen onderstand harer Armen, zoodra zij zag, dat eene andere die kosteloos van het burgerlijk Bestuur verkreeg?

"Had de Minister zoodanigen onderstand aan alle Armen gewild (ten zij ook hier weder individuele toestanden bedoeld worden 1), dan had zulks in de wet behooren geschreven te zijn. Immers dergelijke uitlegging der Wet "moet" feitelijk leiden tot de stelling, dat: "voor "geneeskundigen onderstand burgerlijke Armenzorg regel is."

"Doch indien dit zoo ware, dan moest zulks ook regel zijn voor den geheelen geneeskundigen onderstand.

"En zie! dat is het juist, wat een deel der speciale Raadscommissie meende, dat "in beginsel," moest uitgemaakt worden, om jegens alle Kerkgenootschappen even billijk en regtvaardig te zijn. Een van beiden moest beslist worden: bf — de burgerlijke Gemeente draagt reglstreeks en geheel zorg voor (verleent) den geneeskundigen onderstand

1 Men zou zulks wel eenigzins vermoeden uit de considerans: "dewijl het geven "van geneeskundige hulp, in redelijken zin, volstrekt onvermijdelyk is." Hier toch schijnt men het oog te hebben op den een' of anderen bepaalden persoon, in den een' of anderen bepaalden, zóó ernstigen, ziektetoestand verkeerende, dat liet geven van geneeskundige hulp, in redelijken zin, volstrekt onvermijdelijk is. Zoodanige persoon (wie dan ook), in zoodanigen toestand, zal zeker nimmer door de burgerlijke Gemeente worden afgewezen of onverzorgd worden gelaten. Geheel iets anders is het echter (gelijk bij de Verordening voor de stad Amsterdam), wanneer, bij halfjaarlijksche inschrijving, aan kerkelijk bedeelden (dan nog gezonde personen) stellige aanspraak zou worden gegeven op hulp bij ziekte, van Stadswege.

Sluiten