Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Armen (zoowel kerkelijke als burgerlijke) — of Zij doet zulks voor de eerste, zoowel buiten als binnen de Gasthuizen alleen zijdelings, door hare Inrigtingen, voor de Kerkgenootschappen, tegen matige vergoeding beschikbaar te stellen.

"Meergenoemd deel der Raadscommissie zou hebben kunnen begrijpen, dat eene Burgergemeente, in gunstige finantiële omstandigheden, — mei "handhaving van het beginsel der Wet en van haar eigen regt om dien "al dan niet te geven" zoodanigen onderstand (maar dan ook geheel), als tijdelijke gunst, aan de Kerkgenootschappen, van harentwege toestond. Doch dat deel der Commssie kon niet begrijpen, hoe men, niet als gunst, maar in beginsel, en terwijl men gedeeltelijk een tegenovergesteld beginsel handhaafde, zoodanigen onderstand zou kunnen toestaan — ten zij men verpligt "regt" opgaf, en jegens sommigen onbillijk wierd.

Wa« het eerste intusschen te begrijpen voor eene Gemeente, in gunstige omstandigheden , en niet in zóó zamengestelden feitelijken toestand verkeerende — voor Amsterdam was dit niet het geval. Van alle zijden benard, bovenal diep gebogen onder den jaarlijks toencmenden druk der Armenzorg, kon Amsterdam (afgezien van het, ook ten deze, voor 't overige zoo wenschelijke der kerkelijke Armen-zor^r) geldelijk, allerminst den geheelen geneeskundigen onderstand, maar zelfs ook niet den^edeellelijken, als gunst verleenen. Het eenige wat zij, met behartiging van het wezenlijk belang der burgerij, doen kon en mogt, was den last van den geneeskundigen onderstand aan kerkelijk bedeelden — dien zij (door haren feitelijken toestand, in verband met het beginsel der Armenwet) gedrongen was aan de kerkelijke weldadigheid "over te laten" •— zoo dragelijk voor deze te maken, als in hare magt stond. Was het der Stad onmogelijk den geldelijken last van dien onderstand geheel alleen te dragen, zij moest toch de geldkwestie daarbij niet op den voorgrond stellen. Zij moest, door onbaatzuchtige toepassing van het beginsel — "om van de Kerkgenootschappen eenige vergoeding te eischen voor dien "geneeskundigen onderstand," — aan de zwarigheden te gemoet komen, welke voor de kerkelijke Armbesturen uit dezen overgang zouden voortspruiten.

Heeft zij dat gedaan?

Sluiten