Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En 't toeven in deez' bonten kring Bracht licht mij ia perikel.

(Striktena , in dezelfde positie als Fustiga, zegt tot deze:)

Ik ga met u;.ja, mijn kroniek Zal hier ook • van gewagen.

(Van Penten , zich tot dicht bij Tobbema begevende, zegt eerst tot Striktena en Fustiga:)

Wacht even nog; 'k ga met ,u mee; Doch 'k wou nog eerst wat vragen.

dan tot Tobbema:)

Herroept ge, wat gij hebt gezegd Tot mij en mijne vrinden ?

Zoo ja, dan' hebt gij vol pardon !

' (Tobbema blijft ergens stijf heen staren, alsof hij Van Penten niet hoorde en deze na eenige oogenblikken gewach ■ te hebben, vervolgt:).

't Is neen; ik merk het, vrinden! (weer tot Tobbema:)

Gegroet, 'in 't Weekblad zult gij mij

Die vraag nog zien herhalen, Al blijft g' op mij en op mijn werk

Ook ophoudelijk smalen.

(Nu het publiek aanziende en telkens, wanneer hij H woord vblok" noemt, op Tobbema wijzende, vervolgt hij:)

't Grof blok wil voor de grove bijl,

Gij ziet het, nog niet splijten; Wilt, vrienden! dit aan 't-knoestrig 'blok ,

Niet aan de hakbijl wijten.

Sluiten