Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanmaning om het pad van Gods geboden met volvaardigheid en blijdschap te loopen. Daar nu de naam der goddeloozen zal verrotten, heeft de Heere den naam en gedachtenis der rechtvaardigen gezet tot zegening en troost. Tot troost voor leeraren in deze zorgloozen dagen, waarin de ouders en volwassene menschen. veelal haar zeiven niet waardig achten om de prediking van 's Heeren woord met belangstelling bij te wonen, dewijl ze met de luie, trage joden zeggen (Mal. 1 : 13): »Ziet wat een vermoeidheid dat wij God zouden dienen." Of weer anderen, die de dienaars van het Evangelium wel noemen een speelman, die wel spelen kan, maar op hun fluitgespel niet dansen, en bij hun klaagliederen niet weenen. Zoo kunnen zij hierin vertroost worden, dat God uit den mond der kinderen en der zuigelingen zijn lof toebereid of sterkte grondvest. (Ps. 8 : 3, Matth. 21 : 16). Daar zij nu bewijzen geven van inachtneming van 's Heeren woorden om dezelve met heilbegeerigheid op te vangen en in hun hart te bewaren, zal de Heere in acht nemen de zaligheid van hun ziel, en die opvangen in de zalige eeuwigheid. En dewijl in hun hart een plaats is gevonden om zijn woord te bewaren, zoo bewaard de Heere hun gedachtenis en geeft dezelve een plaats in het midden van zijn volk en gemeente.

De Heere geve dat deze bekendmaking de kinderen een hartverblijdend aandenken moge verschaffen, tot troost of bemoediging, om met volvaardigheid het pad van Gods geboden te loopen, en hierin niet te vertragen. En ook degenen, die tot nu toe de zonden hebben gediend, en nog nooit hun knieën voor den volzaligen Heere Jezus hebben gebogen, eens jaloersch mogen worden en zeggen uit het binnenst van hun hart: »Komt laat ons den Heere zoeken; want er is geen andere Rotssteen dan onze God." Dit is de wensch en bede van den schrijver.

Een waar verhaal van Gods weg met haar gehouden. Spreuk. 8 : 17. »Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden."

Deze waarheid wordt ten allen tijden bevonden waarachtig te zijn. Zonder zoeken geen vinden, maar een eeuwig missen van een Algenoegzaam zalig God, dewijl de mensch zijn God verloren heeft met Adam in het Paradijs. Is dit zoo met alle menschen hoofd voor hoofd, 't was ook zoo met onze Marie, waarvan wij onze jeugdige lezers mededeelen. Ook van haar kon gezegd worden,

Sluiten