Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan kwam haar Gods goedheid en weldadigheid zoo op het hart, dat zij dan weer moest uitroepen: Och Heere! vergeeft het mij toch. Zoo was zij op zekeren dag alleen te huis, daar de ouders voor hun dagelijks brood de woning hadden verlaten, dat zij na het eten van haar boterham zoodanige lust gevoelde naar de liefelgke zonneschgn, dat zij het lezen van Gods woord maar wilde achterlaten. Maar hoort, hoe dat zij tot haar zeiven sprak: »Nu zult gij lezen." In haar werd de les van Paulus opgevolgd: »Ik bedwing mijn lichaam en breng het tot dienstbaarheid." 1 Cor. 9:27.

Slaan wij haar gade in de kerk, daar zat zij om den Heere te zoeken in de middelen van zijn woord. Wat was zij onderscheiden van vele kinderen, die zoo oneerbiedig zitten heen en weer te turen tot aanstoot van menig aandachtig hoorder en zoodoende zich zeiven in Gods oogen kwalijk gedragen, of ook van volwassen menschen, die met de behoeften van hun onsterfelijke ziel weinig vervuld zijn. Om een voorbeeld te geven; zien wij haar daar nederzitten, terwijl het heilig Avondmaal wordt bediend, niet gelijk de meeste menschen, die in plaats van met jaloerschheid het zelve te aanschouwen, weg loopen, als of de dood hen op de hielen zit, niet denkende aan de woorden van den Zaligmaker Jezus Joh. C : 53: Voorwaar, voorwaar zeg ik u lieden, tenzij dat gij het vleesch des Zoons des menschen eet en zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in uw zeiven. Want mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank. Neen, de begeerte van haar ziel liet haar dit niet toe. Zij sprak in haar zeiven: ik ben nog wel geen lid, en mag hiervan nog niet eten; maar Heere, Gij weet mijn begeerte, Gij kunt mij, al is het maar in 't zien, toch wel verzadigen.

En de Heere die zijn hand tot de kleinen wend (Zach. 13: 7) wilde in haar den rookenden vlaswiek niet uitblusschen, (Matth. 12 :20) maar doen proeven en smaken dat Hij goed is voor allen die Hem in oprechtheid zoeken. Menigmaal mocht zij onder de prediking des woords, ofschoon zij het voor haar zeiven niet durfde toeeigenen, zaligheid smaken in de dienenswaardigheid, die zij in God zag. En dan die blijdschap, als zij zag, hoe dat Zijn volk daarin eeuwig zoude deelen. Dat gunde zij dat volk, omdat zij des Heeren kinderen waren. Om de kinderen dit nog nader te doen blijken, hoe zij in eenvoudigheid dat volk beminde, hooren wij haar zelf spreken, als ter gelegenheid der jongelings-vereeniging een leeraar van elders den predikdienst vervulde en liet zingen Ps. 68 : 6.

Sluiten