Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo moet de Koning eeuwig leven! Bidt elk met diep ontzag;

Men zal Hem 't goud van Scheba geven; Hem zeegnen dag bij dag.

Is op het land een hand vol koren, Gekoesterd door de zon,

't Zal op 't gebergt geruisoh doen hooren, Gelijk de Libanon. In dezen toestand bleef zij een paar dagen, totdat eindelijk de oudejaarsavond aanbrak. Toen zag zij haarzelven weder in een onbekeerden staat, zij was al die blijdschap die zij in die Sionskoning had genoten, kwijt geraakt. Daarom riep zij den Heere hij vernieuwing aan, zeggende: Och, Heere! ik ben nog onbekeerd, och dat ik toch met dat oude hart dit jaar niet uit mocht gaan. En ziet! kinderen, het behaagde den Heere om haar zuchten gade te slaan en haar daarmede te troosten. Dat Hij de zoogende zachtjes zoude leiden. O! wat was zij toen werkzaam om toch eens te weten, of zij een zuigende was (want zoo verstond zij het). Dat gaf haar zoo'n aanbinding aan den troon der genade, dat zij rusteloos bleef aanhouden om dit van den Heere te weten. Als er soms van het volk des Heeren bij haar kwamen, om haar te vertroosten en moed in te spreken, zeide zij: op haar hart wijzende, hier zal ik het wel voelen, als de Heere mij bekeerd. Neen moeder ! zeide zij: als die menschen weg waren, ik heb hier niets aan, ik moet het zelf weten.

De nieuwjaarsdag brak aan; ze hield niet op of zij moesten alle naar de kerk. Met moeite mocht haar kleine broertje bij haar blijven, en toen zij een wijle tijds had zitten lezen, vroeg zij hem om met haar mede te bidden. Zij knielden samen neder en zij riep den Heere hardop aan, dat Hij haar en haar broertje toch een nieuw hart zou geven. Zij dankte Hem voor zijne goedheid aan hun bewezen. Kinderen! dat ging altijd in haar hart om, dat de Heere zoo goed en daarom zoo dienenswaardig was.

De Heere, die altijd het geroep hoort van zijn ellendig volk, wilde ook deze jeugdige smeekster niet in haar behoefte vergeten, maar Hij wilde haar met gunstige oogen gadeslaan en moed inspreken door zijn onfeilbaar eeuwig woord. Daar daalt nu zijn moedgevende stem in haar ziel (Hab. 3:3): Indien Hij toeft, zoo verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven. Het was in haar hart gekomen, dat de Heere zoo lang ver-

Sluiten