Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit God. wat nergens op rust, dan alleen op den onwankelbaren Rotssteen Christus. Hierom zien wij onze Marie op zekeren morgen weer in weenende toestand. De moeder die zich met haar alleen in huis bevond, vraagt haar, Marie, wat scheelt er aan? Ooh moeder! zeide ze: Ik moet bidden. Die mij zal schamen voor de menschen, die zal ik schamen voor mijn vader. Welnu kind,: zeide de moeder, bidt dan maar. En zoo knielde ze beide neder voor den Heere Israels God, die nooit gezegd heeft zoekt mij te vergeefs. En, zij bad den Heere hard op aan. De moeder moest getuigen, nooit zoo'n oogenblik te hebben doorleefd; zoo ziels bedroefd als haar meisje den troon der genade mocht bestormen. Als zij nu was opgestaan van haar gebed, kwam dat versje in haar bedroefde ziel, Ps. 43 :5: Mijn ziel! hoe treurt gij dus verslagen ?

Wat zijt g' onrustig in uw lot? Berust in 'sHeeren welbehagen;

Hij doet wel haast uw heuzon dagen. Deze vier eerste regels gaven haar weder een groote hoop. Wonder werd zij daardoor verkwikt. Doch de Heere liet haar altijd maar in de beloften staan en opende haar hart maar in begeerte naar vervulling. Och, zeide zij dan, als dat eens vervuld is. Dan zal ik u ook mijn Redder en mijn God noemen. Dat hield haar dan zoo hopend werkzaam, dat het een lust was om te aanschouwen.

Als de ouders dan aan haar vraagden: Wel Marie, hoe gaat het nu? Dan antwoordde zij: Goed, ik blijf den Heer verwachten.' Daar leefde zij enkele dagen zoo helder en vertrouwend in, dat zij te midden van den nacht tot haar moeder zeide: Nu zou ik wel willen zingen, maar mijn borst belet het mij. Ps. 25 : 2 kwam in haar hart:

Leid mij in uw waarheid, leer

IJvrig mij uw wet betrachten; Want Gij zijt mijn heil, o Heer!

'k Blijf U al den dag verwachten..

Daar lag zij haar zeiven in te verblijden. De Heere leidde haar zoo helder; 't kan ook niet anders kinderen, want God is een licht en er is geen duisternis in Hem. Hij leidde haar ook zoo lieflijk, dat wij haar, hoeveel pijn zij ook leed, niet mochten beklagen. Zij riep maar uit: De Heere is goed! En ofschoon zo niet altijd in de bewustheid van haar zieletoestand leefde, roemde zij toch altijd Zijne goedheid. Dit was haar ook menigmaal een aandrijven tot den Heere, vreezende dat zij hierop zoude rusten,

Sluiten