Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

riep gedurig uit: ¬ĽNu weet ik het, dat Gods woord de waarheid is.'' Alles wat zij zag of welken dienst men haar deed, 't was alles van den Heere. Zij zag het al in die vrederaad liggen en dat was haar zoo'n eeuwige verwondering, dat de beker bij haar zoo overvloeiende werd, dat zij geen mond had om dit uit te spreken. Zij vertelde ook hoe zij, drie dagen te voren, een stuiting had gevoeld toen zij bad, dat de Heere haar mocht bekeeren, daar zij niet wist dat zij bekeerd was. Maar nu wist zij het; dat was haar een verwonderen en verliezen in den Heere Jezus als haar Zaligmaker.

Den volgenden morgen deelde zij aan haar moeder mede, hoe dat zjj niet alleen van haar spulletjes, maar ook van haar bijbeltjes, die zij als prijs op de Zondagschool had behaald, was losgemaakt. Die konden aan haar broertje worden gegeven en de overige aan vader en moeder. Verder zei ze: ik ben ook losgemaakt van vader en moeder. Niet omdat ik niet veel van u houd, maar omdat de Heere mij het dierbaarste is. Haar moeders gemoed schoot hierover vol. Zij zeide: moeder, weent toch niet, ik heb u immers gezegd: u komt ook, zingt liever big te moe. Nog oen oogenblik en Hij, die het goede werk begonnen heeft, zal hetzelve voleindigen. Ik wensch u toe, dat gij met vader nog lang in vrede leeft. En alles wat u overkomt van druk of leed, draag het aan den Heere op. Hij zal het maken. En of ik nu of over veertien dagen sterf, de Heere doe wat goed is in Zijn oogen. Me dunk zeide ze: Ik zie mij zeiven al in de doodkist liggen. Dan zullen ze wel zeggen: daar ligt ze met de buit. En als ze mij naar 't graf zien dragen, dan zullen ze wel zeggen daar gaat ze met de buit. Hierop zeide ze tegen haar moeder, u wordt toch immers niet boos, dat ik zoo spreek. Zij gevoelde, ofschoon zij deelde in de liefde Gods, ook de zwakke zijde des menschen, als hun banden nog niet losgemaakt zijn van teedere liefdepanden, 't Gebeurde ook in dien zelfden tijd, dat ze zoo'n begeerte kreeg naar radijs, maar zij wist ook wel, dat het de tijd der radijzen nog niet was. Daarom was zij in onderworpenheid, vertrouwende tevens op de macht en goedheid Gods, en zeide: Heere! indien Gij het wilt, zoo kunt Gij ze wel geven. De ouders hadden ondertusschen alle pogingen aangewend, maar alles vruchteloos; en dus bij haar ook uit de gedachte. En ziet op dien zelfden avond kwam een vriendin met een bosje radijs. Maar geliefde kinderen, dit is niet om te zeggen, wat zij daar in zag.

Sluiten