Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatsten dagen. De dood van Gods gunstgenooten wordt toch ver geleken bij een slaap en zoete rust. Hierom zegt David: Ik zal gerust, in vrede slapen,

En liggen ongestoord ter neer, Want Gij alleen mijn schild en wapen, Schoon 't onheil schijnt voor mij geschapen, Zult mij, doen zeker wonen, Heer! Zoo zegt ook de profeet »Uwe dooden zullen leven, ook mijn dood lichaam zal opstaan en eenmaal zijn als de dauw der moeskruiden." Ja, zij zullen rusten op haar slaapsteden, een iegelijk die in haar oprechtigheid gewandeld hebben. Het is opmerkelijk, dat van de onvrome en wereldsche menschen in Gods woord wordt gezegd, dat zij slapen, terwijl zij hier leven. En dat van den Vrome en oprechten wordt gezegd, dat zij slapen, als zij hier hebben opgehouden te leven. Zoo is dan de slaap des doods van Gods kinderen een geruste en gelukkige slaap, want zij rusten Van de zonden. Deze gedachten waren bij ons de reden, waarom Wij het een heuglijk oogenblik noemden, haar grafwaarts heen te dragen. Zij is daarom ook op plechtige wijze ter aarde besteld. Eenige jongelingen der Jongelings-Vereeniging «Onesephorus" hebben haar grafwaarts gebracht, gevolgd door bloedverwanden en vrienden. Dewijl onzen leeraar, Ds. J. van Mantoem, wegens ongesteldheid er niet bij tegenwoordig kon zijn, zoo hebben drie vrienden met eén korte toespraak de aanschouwers op den dood der oprechte gewezen, kennelijk vertoond in deze jeugdige afgestorvene. Zoo zijn wij na het zingen van Ps. 89 : 7 en 8 weder van de rustplaats der dooden naar het sterfhuis terug gekeerd, waar wij het overige gedeelte van den dag in gebed en samenspraak hebben geëindigd, nemende deze overdenking met ons mede, let op de vromen, en zie naar den oprechten, want het einde van dien zal vrede zijn. Ps. 37 : 7.

Ziet hier beminde kinderen, die dit boekje hebben gelezen, en voor wien het ook inzonderheid is opgesteld, het was mij ook een behoefte des harten, om u hierin niet ongedacht voorbij te gaan. Neen, ik wil ook nog een woordje tot u richten en u vragen, of gij dit boekje met aandacht hebt gelezen en herdacht, wat voor een zalige liefde, die beminnelijke Heere Jezus aan Maria heeft geopenbaard. Hoe meêdoogend en ontfermend is Hij haar niet geweest, om al de behoeften van haar hart te vervullen. Kinderen, hebt gij ook als Marie den Heere gezocht. Ziet! hoe

Sluiten