Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den mensch werd er tussehen de goddelijke personen geraadpleegd. En God zeide: „Laat ons menschen maken naar ons beeld en naar onze gelijkenis, en dat zij heerschappij hebben," Gen. 1 •. 26. Deze woorden werden door den Vader tot den Zoon gesproken, wien de Vader bezat in 't beginsel ZijjiMr wegs, Spreuk. 8 : 22, en die in de schepping bij Hem was, als eene bij hem inwonende, die dagelijks Zijne vermaking was. Spreuk. 8 : 30. Maar sommigen, die eene meerderheid van personen in het .goddelijk wezen loochenen, willen ons doen gelooven dat God deze woorden tot de engelen sprak. Doch engelen zijn schepsels, en het door God gesprokene aan hen toe te kennen, is zooveel als hen bij de schepping, mede-scheppers en mede-werkers met God te maken. Zji evenwel hadden er de hand niet in. Zij zijn de morgensterren die te samen vroofijk zongen, en de kinderen Gods die juichten, Job 38 : 7. En het verwondert ons niet dat zij kinderen Gods genoemd worden, want zij zijn zulks door schepping even als wij. „Hebben wij niét allen éénen Vader en heeft niet één God ons gefchapen?" Mal. 2 : 10. In dien zin kunnen de engelen onze medebroeders genoemd worden. En daar zij alle •denaren zijn, tot dienst uitgezonden wordende, om dèrgenen wil die de zaligheid beërven zullen, zijn zij j-OÖk mede-dienstknechten. Zoo noemen zij zichzelven bok: „En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neder om aan te bidden, voor de voeten des Engels, die mij deze dingen toonde. En hij zeide tot mij, ziet dat gij het niet en doet, want ik ben uw mede-dienstknecht, en uwer broederen der Profeten; aanbidt God, Openb/22 : 8—9. Het is vreemd dat er zulke vijanden van den Zone Gods zouden zijn, die hoewel hij de Schepper der engelen is, want „Hij maakt zijne engelen geesten, en zjjne dienaars tot een vlammend vuur," Hebr. 1 •. 17. Zijne engelen zouden willen inleiden in de raadsbesluiten Gods en in het werk der schepping, vóór Hem die de Schepper is van alle overheid en macht. Behalve dat, is de mensch niet gemaakt naar het beeld en de gelijkenis van engelen, en van de engelen wordt nooit gezegd dat zij naar het beeld en de

Sluiten