Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Daar is in de liefde geen vreeze; de liefde denkt geen kwaad," en kan daarom ook geen kwaad doen.

3". Adam was heilig geschapen. Het beeld Gods, zegt Paulus, bestaat in ware heiligheid. De Heilige Geest kwam in hem, toen God in hem blies en al de krachten zijner ziel met heiligheid vervulde, zoodat hij niet alleen heilig genoemd wordt, en zuiver van alle vlekken of rimpels, maar, zooals Paulus zegt •. „Het beeld Gods bestaat in ware rechtvaardigheid en heiligheid." Waar de gezegende en heilige God zich ooit vertoond heeft, daar is°de heiligheid rondom hem verspreid. Toen Jesaja hem zag op zijne troon, in zijne hooge verhevenheid, riepen de Serafijnen uit: „Heilig, heilig, heilig." En de groote heerlijkheid overmeesterde den profeet zoodanig, dat hij onder dat gezicht, zichzelven van het hoofd tot de voeten als een melaatsche kreeg te beschouwen, Jes. 6. Toen de Heere te Jeruzalem woonde, werd zij de heilige stad genoemd; de tempel waarin Hij verkeerde werd de heilige plaats genoemd. Ja toen de Heere in den braambosch aan Mozes verscheen, en Mozes uitging omdat gezicht te bezien, gebood Hij hem niet te naderen, maar zeide dat hij de schoenen van zijne voeten moest doen, want: „De plaats waar gij op staat, is heilig land." Aan Jozua gebood Hij in de vlakte van Jericho hetzelfde te doen, en gebruikt daartoe denzelfden aandrang. „De plaats waarop gij staat is heilig land." Het is de intloeiing des Heiligen Geestes op al de uitverkoren engelen die hen het karakter van heilige engelen geeft,. En het was de inwoning des Heilige Geestes in Adam, die hem tot een heilig mensch maakte. Het is ook niet minder dan de goddelijke invloed des Heiligen Geestes die het Hem behaagt door de geheele kerk of gemeente te verspreiden, welke die gemeente tot een' heiligen tempel in den Heere maakt, en daarom wordt zij gezegd „eene woning Gods in den Geest" te zijn.

4». De Heilige Schrift wijst ons aan dat er eene heerlijkheid was, die het beeld Gods in Adam verzelde, wat men uit den volgenden tekst besluiten kan: „Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heer-

Sluiten