Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijkheid des mans," 1 Cor. 11 7. En deze heerlijkheid was een goddelijke glans, die door al de vermogens zijner ziel heenstraalde, en die hem zooveel licht en verstand gaf en zulk een inzicht in alles, zoodra hij geschapen was, zoodat hij onmiddellijk en duidelijk voor de vuist sprak, zonder dat hij ooit letters of woorden geleerd had. Ik twijfel er ook geenszins aan of Adams gelaat blonk zoo goed als het aangezicht van Mozes, daar hij zoo gemeenzaam met God omging. Iets van deze heerlijkheid schijnt ook nu op het gelaat van ieder wedergeboren ziel, wanneer het beeld Gods in hem hersteld wordt. „God is de verlossing huns aangezichts." Bij iedere heerlijke verschijning van den Zaligmaker aan de kinderen der menschen (ik zeg, heerlijke openbaring) waren er altijd stralen der heerlijkheid op zijn aangezicht, als van den eeuwigen God die in het licht woont. Zijn aangezicht wordt ook dikwijls vergeleken met de zon, schijnende in hare kracht, en somtijds bij het aangezicht van een engel, zeer vreeselijk, zooals iedere verschijning van goddelijk licht is en moet zijn vóór arme, bedorven stervelingen. Adam had, daar hij een voorbeeld was desgenen die komen zoude, een goddelijken glans op zijn aangezicht, even als Mozes bij de wetgeving, welke glans zijn aangezicht op dien vreeselijken dag onder* steunde. Deze zelfde glans bewaarde het aangezicht van Statanus voor vervallen, toen de valsche getuigen en wanhopige oversten hem ten grave dreven. Dit geloof ik dat de apostel bedoelt als hij zegt dat: „De man het beeld en de heerlijkheid Gods is." Als dit kan ontkend worden, weet ik niet wat die heerlijkheid is, waarop de apostel zinspeelt. Met liefde tot God in zijn hart en stralen der goddelijkheid in het aangezicht, sprak Adam vrijmoedig en gemeenzaam met God van aangezicht tot aangezicht, zooals Mozes deed toen zijn aangezicht blonk, en dat zonder eenige schrik of vrees. Ieder dier dat de Heere tot hem bracht, gaf hij een naam, en zoo zoude zijn naam zijn. En de Heere scheen er een welbehagen in te hebben, dezen kleinen vorst zoo te hooren spreken. Daar Gód de fontein des lichts is, en Christus het ware licht, kan men niet .veronderstellen

Sluiten