Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoodra zij deze zonde tot de vorige gedaan hadden, namelijk zich met eene bedekking te bedekken, maar niet door Gods Geest, riep de stemme Gods tot Adam. Het is opmerkelijk, dat toen de Heere Adam en Eva oordeelde, de aarde door den vloek werd getroffen. Adam's vonnis was dat hij gedurende zijn gansche leven, met smart van dezelve zoude eten ; terwijl dat van Eva daarin bestond, dat God de smarten harer dracht zeer zoude vermenigvuldigen. De hevigste vloek viel onmiddellijk op de slang en op den duivel in haar. Er was geen sprake van eenig veroördeelend vonnis over Adam óf Eva. Het vonnis des doods, was reeds door God daargesteld, voordat zij overtreden hadden. En toen de satan de oude mensch der zonde voor hunne deur lag, volgde hem de dood op de hielen. Zoodra had één van hen de deur niet geopend door van de vrucht te eten of de zonde kwam binnen, en door de zonde de dood, „En zoo is de dood doorgegaan tot alle menschen, in welken allen gezondigd hebben," Rom. 5 : 12.

Hieruit kunnen wij duidelijk zien dat geheel het beeld Gods, waarmede Adam versierd was, in Zijnen heerlijken luister gemaakt was en bewaard werd door de inwoning des Heiligen Geestes, die, bedroefd en beléedigd zijnde door de zonde des mensehen, hem aanstonds verliet. Evenwel gevoelden zij dit niet dadelijk, even als Simsón,' want de begeerlijkheden des vleesches en de wellustige begeerten en vermaken, trachtten de afwezigheid Góds goed te maken, totdat het bedrog zichzelven ontdekte. Dit gevoelen ook de kinderen Gods zoo dikwijls zij uit Gods tegenwoordighe:d geraken en in verlating komen tot hunne groote smart. Want dezelfde bete, wordt hen dan aangeboden, als de meest aangename voor vleesch en bloed. Gods beeld in Adam en al zijne vielssieraden worden toegeschreven aan de inwoning des Heiligen Geestes. Wanneer deze zoetste aller vertroosters weggaat, is alles weg. Toen nu de natuur al hare liefkozingen; geëindigd had, zochten zij naar hunne inwendige vrede, macht, rust en geluk, en bevindende dat die allen hun verlaten hadden, maakten zij zich schorten van bladeren. Maar nu moeten wij voor goed afscheid nemen van het

Sluiten