Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4°. is, om u aan te toonen, dat er iets van deze gezegende en paradijsachtige staat, werd afgeschaduwd door de kinderen Israëls in het land der belofte.

Het beloofde land was een aangenaam, vruchtbaar en vermakelijk land, en wordt dikwijls bij den hof van Eden vergeleken. Daarom zegt ook de profetie van Gods ongenoegen tegen den koning van Tyrus, die een overzicht van de verwoestingen van het land Kanaan en van de stad Jeruzalem genomen had, nadat de koning van Babel dezelve verwoest had: „Gij waart in Eden, Godes hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, enz. Gij waart een gezalfde overdekkende Cherub, en ik hadde u alzoo gezet. Gij waart op Godes heiligen berg; gij wandeldet in 't midden der vurige steenen," Ezech. 28 : 13—14. De profeet Joël vergelijkt ook het heilige land bij het paradijs, vóór dat het leger der Chaldeën het verwoest had: „Het land is vóór hetzelve als een lusthof (Eden) maar achter hetzelve een woeste wildernis; ook is er geen ontkomen van hetzelve," Joël 2 -. 3. Ik heb ook dikwijls gedacht (vergeef mij mijne uitwijding) dat onze eerste ouders, nadat zij uit het paradijs waren verdreven zich ergens dicht bij het land der belofte, zoo niet in hetzelve, hebben nedergezet, hetgeen ik opmaak uit de namen der in en om dat land gelege» plaatsen. Zoo zijn er ook duizende plaatsen in dit eiland, zoowel in Londen als in het omgelegen land, die tot op dezen dag, en reeds vele honderd jaren lang den naam van menschen hebben gedragen. En zoo denk ik was het in het land der belofte ook. Daarom lezen wij ook van „de stad Adam," die bezijden Zartan ligt aan de Jordaan, Joz. 3 : 16. Wij lezen ook van eene stad „Abel" genaamd, waar de wijze vrouw, haar spreekwoord tot Joab sprak, zeggende: „In voortijden spraken zij gemeenlijk zeggende: Zij zuilen zonder twijfel te Abel vragen, en zoo volbrachten zij het," 2 Sam. 20 :18. Zoo lezen wij ook van „Abel-Maim," 2 Chron. 16 : 4. „Abel-Mehóla," Richt. 7 : 22 en van „Abel-Mizraïm," Gen. .50 : 11. En er is een groote gewelfde steen in dat land, die tot op dezen dag „Abels graf," genoemd wordt.

2". Toen het volk Israëls uit Egypte kwam, werd het

Sluiten