Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wier val, bij het instorten van hetzelve groot zal zijn. Er is geen ware troost, dan in Christus, door het waarachtig geloof, waardoor Hij in en tot alles omhelsd wordt. Ach, bedachten zij, die zich nog buiten gemeenschap met Hem op hunne deugden en pligten gerust stellen, dit nog in tijds, eer het voor eeuwig te laat zal zijn. Een waar Christen (hetzij hij. zwakker of sterker in het geloof is) erkent geenen troost, (uit welke bronnen men hem die ook aanbiedt en opdringt) den waren troost in leven en sterven te zijn als deze; dat hij met ligchaam en geest het eigendom is van Jezus. O ja, hij gevoelt het aan zijn hart, deze is de eenige, de ware, de genoegzame troost, die hem voldoende is, en bijblijft in dit moeitevolle leven, en'die hem in den dood niet begeeft of verlaat. In niets minder kan hij door goddelijke genade, waardoor hij dit leerde zien, rusten, en al zou hij tot zijnen dood toe rusteloos naar dezelve zoekende blijven ; hij wenscht op geenen anderen grond zijne ziel gerust te stellen of de eeuwigheid in te stappen. Gelukkigen! die dit geschonken wordt, want, (hoe dikwijls zij meenen het moedeloos op te geven, en vol bekommering zijn dat zij den waren troost missen) zij zullen als die bidden, ontvangen, als die zoeken vinden, en als die aankloppen, opengedaan worden, volgens des Heilands betuiging. Die hier met tranen zaaijen, zullen eens met gejuich maaijen.

Sluiten