Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is voorzeker beter te gevoelen dan door mond en pen nit te drukken, wat het zegt en in zich bevat, het eigendom van Jezus te zijn. Het zou voor iemand groot zijn, wanneer een aardsch Koning of Vorsl die hem op aarde alles kon beschikken, hem voor zijne rekening had genomen, daar door mogt hij zich gelukkig achten; maar wat zijne behoefte voor de eeuwigheid betreft, zou dit alles zeer weinig zeggen. Welke gunst, eer en aanzien hij door deze betrekking genoot, dit alles eindigt bij den dood. Jezps zeide: wat baat het den mensch al gewon hij de geheele wereld, en leedt schade aan zijne ziel. Aan de geheele wereld, (en al waren er duizenden) hebben wij buiten Jezus niet genoeg. Dus welk een voorregt, de geloovigen zijn het eigendom, door eeuwige liefde geworden van Gods grooten Zoon, hunnen Verlosser en Zaligmaker. O aanbiddelijke liefde Gods! hoe smelten hunne harten als het ware weg in verwondering en wederliefde, wanneer de H. Geest hen in die zalige betrekking inleidt; zoo dat zij dan ook wel uitroepen: de snoeren'zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen, eene schoone erfenis is mij van den Heere geworden.

Zij hebben daardoor een voorregt, en genieten eene eer, die boven het geluk der Engelen stijgt; zij zijn (minder wilde Gods liefde hun niet schenken) het eigendom van Jezus, die voor hen in de wereld kwam; de geheele wet

Sluiten