Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet leven Gods, door de onwetendheid die ia hen was. Maar nu is het door Gods eeuwige ontferming gansch anders met hen gesteld, wanneer zij als begenadigde zondaars en zondaressen, hier bij het licht van Gods geest worden ingeleid, dan verbreken hunne harten en tranen van ootmoedige erkentenis vloeijen langs hunne wangen. Dan betuigen zij: hebben wij ook hier gezien o God! naar U, die naar ons omzaagt? Dan vragen zij : waarom zaagt Gij naar zulken om als wij ?' Dan erkennen zij zich eeuwig dat voorregt onwaardig te zijn; zulken als wij zijn (roepen zij in verwondering uit) het eigendom van Jezus; zulke zondenslaven verlost van de helsche banden, o! onbegrijpelijke liefde Gods, die alle verstand te boven gaat! Maar hoe groot het is, zij gevoelen het toch in hun binnenste dat het eene waarheid is, o ja, onder al het bederf dat hun nog aankleeft, betuigen zij in opregtheid: Ja! goddelijke Jezus wij zijn uw eigendom.

De geloovigen zijn het eigendom van Jezus, zijnde door den Vader aan Hem gegeven; voor hen is Hij met Zijn hart Borg geworden, en heeft zich gansch vrijwillig overgegeven; zij zijn daar door met Hem op de allernaauwste wijze vereenigd; dezelfde Geest die in Hem, als in het hoofd is, woont ook in hen als zijn eigendom; wegens die naauwe vereeniging, zijnde vleesch van Zijn vleesch, en been van Zijne beenderen; zij zijn ranken van Hem den

Sluiten