Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ja dal verlaten op den Heere vloeit voort uit het besef van Gods naauwkeurige bewaring.

Hebben de geloovigen zoo veel zalige ondervinding van Gods hulp en bijstand op hunnen weg, dit versterkt hun vertrouwen om verder in wegen van beproeving geloovig op den Heere te wachten; te verbeiden, zoo Hij vertoeft, zeggende; Hij zal gewisselijk komen, en niet achterblijven: wetende dat alles tot hun voortdurend geluk moet medewerken.

Alles is onderworpen aan den wil van hunnen hemelschen Vader. — Wij weten, schreef Paulus, Rom. VIII: 28, dat degenen die God lief hebben, alle dingen moeten medewerken ten goede, dengenen namelijk, die naar zijn voornemen geroepen zijn. — De tegenheden, de rampen dezes lerens, de zwakheden der geloovigen om tegen de verdorvenheden te te strijden, de aanvallen van in- of uitwendige vijanden; verdrukking, vervolging, honger , zwaard, dit alles, hoe magtig of geweldig, kunnen hen van Gods-liefde niet scheiden , niet alleen, maar werken hun onder het hooge Godsbestuur mede ten goede. — De tegenheden zijn wel bittere, maar tevens heilzame artsenijen, om hen niet alleen van hoogmoed te genezen, maar ook te verootmoedigen ; tegen aardsgezindheid, om hen daardoor van het schepsel los te maken, en om zoo de dingen in hare regte waarde, vooral in hare vergankelijkheid te doen kennen, opdat zij

Sluiten